Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/6.7.1:6.7.1 Het verdragsbeleid
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/6.7.1
6.7.1 Het verdragsbeleid
Documentgegevens:
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS304341:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1987/88, 20 365, nr. 2.
Kamerstukken II 1987/88, 20 365, nr. 2, p. 18.
In 1998 wordt dit standpunt in de notitie ‘Uitgangspunten van het beleid op het terrein het internationaal fiscaal (verdragen)recht’ niet meer herhaald.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De verhouding tussen de bepaling over gelieerde ondernemingen en nationale regels tegen onderkapitalisatie is enkele keren aan de orde gekomen in het kader van de notitie algemeen fiscaal verdragsbeleid uit 1987.1 In deze notitie wordt opgemerkt dat Nederland tijdens verdragsonderhandelingen is geconfronteerd met de wens van een enkele verdragspartner om zijn nationale wetgeving tegen onderkapitalisatie ook onder de werking van het belastingverdrag te mogen toepassen. Uit de notitie blijkt echter dat Nederland in beginsel niet bereid is om bepalingen in de belastingverdragen op te nemen die de toepassing van dergelijke wetgeving toestaan.2 Als naar aanleiding van deze notitie vanuit de Tweede Kamer wordt gevraagd of het juist is dat het OESO-model-verdrag zich niet verzet tegen vaste debt to equity ratio’s antwoordt de staatssecretaris: ‘De stelling dat het OESO-modelverdrag zich niet verzet tegen vaste debt to equity ratio’s, is onjuist. Alleen in concrete gevallen kan, op grond van de overweging dat een bepaalde wijze van financiering niet mogelijk zou zijn tussen onafhankelijke partijen, in overeenstemming met art. 9 van het OESO-model worden gecorrigeerd.’3 In dit verband verwijst de staatssecretaris naar het Thin Capitalisation rapport.4 Voor de interpretatie van de bepaling over gelieerde ondernemingen in de Nederlandse belastingverdragen zijn deze uitlatingen van het staatssecretaris overigens van weinig belang. Er blijkt immers niet uit dat zijn uitleg door andere verdragspartijen wordt gedeeld.