Einde inhoudsopgave
Het bestuursverbod bij de commanditaire vennootschap (IVOR nr. 93) 2013/1.1.2
1.1.2 Plaats van de commanditaire vennootschap in het systeem van het Nederlandse vennootschapsrecht
Mr. A.J.S.M. Tervoort, datum 11-07-2013
- Datum
11-07-2013
- Auteur
Mr. A.J.S.M. Tervoort
- JCDI
JCDI:ADS446206:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* (2009), nr. 11, Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond (2013), nr. 41 en nr. 91. Ook de Europese naamloze vennootschap (Societas Europaea of SE), die haar oorsprong vindt in Verordening (EG) 2157/2001 van de Raad van de Europese Unie van 8 oktober 2001 betreffende het statuut van de Europese Vennootschap (SE) (PbEG 2001 L 294), kan als ‘kapitaalvennootschap’ worden aangemerkt; zie Mohr & Meijers (2009), nr. 1.2. en Van Veen (2012), p. 11. Gelet op deze Europese oorsprong en signatuur reken ik haar niet tot de Nederlandse kapitaalvennootschappen.
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* (2009), nr. 11, Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond (2013), nr. 51, De Jongh (in druk), nr. 3, die in nr. 2. en nr. 4-6 ook enige andere kenmerken noemt.
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* (2009), nr. 11, Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond (2013), nr. 46 en nr. 52-61.
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* (2009), nr. 11. Zie voor een beschrijving van de historische ontwikkeling van de institutionele leer: De Jongh (in druk), nr. 146-156.
Vooral Raaijmakers heeft hier herhaaldelijk op gewezen. Zie in het bijzonder: Pitlo/ Raaijmakers (2006), nr. 1.1-1.2 en voor een synthese van zijn opvattingen: Raaijmakers (2012a), p. 111-117.
Asser/Maeijer 5-V (1995), nr. 5-12, Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII* (2010), nr. 5-12, Huizink (2011), p. 1-8. Winter (2011b), p. 488, duidt het personenvennootschapsrecht aan als ‘de onderkant van ons vennootschapsrecht’.
Asser/Maeijer 5-V (1995), nr. 5, Pitlo/Raaijmakers (2006), nr. 2.1, Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* (2009), nr. 11, Hamers & Van Vliet (2012), p. 7, Assink (2013), § 99.
Met het oog op de beperking van deze aansprakelijkheid is in de literatuur als alternatief voor de personenvennootschap de zogeheten personencoöperatie genoemd: een coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid als bedoeld in art. 2:53 jo art. 2:56 lid 1 BW, waarin de leden met de coöperatie overeenkomen dat zij arbeid en vlijt inbrengen met het oogmerk het daaruit ontstaande voordeel te delen. Zie Timmerman (1999), p. 231, Kemperink (2006),
Dit is van oudsher de heersende leer: zie Asser/Maeijer 5-V (1995), nr. 13 met verdere verwijzingen, Assink (2013), § 99.1. Anders: in het verleden vooral Eggens, Scholten en Duynstee, waarover Asser/Maeijer 5-V (1995), nr. 13, en heden ten dage Raaijmakers; zie reeds Raaijmakers (1976), nr. 173, en meer recent Pitlo/Raaijmakers (2006), nr. 2.2.6.-2.2.7.
Zie voor dit alles Asser/Maeijer 5-V (1995), nr. 12.
Asser-Maeijer 5-V (1995), nr. 22 en 165, Assink (2013), § 99.1.
Asser/Maeijer 5-V (1995), nr. 5.
Asser/Maeijer 5-V (1995), nr. 28, Blanco Fernández (2009), art. 7A:1655 BW, aant. 2, Pitlo/ Raaijmakers (2006), nr. 2.1, Huizink (2011), p. 6.
Zelf geef ik om redenen die ik hierna onder 1.3.4.2. zal verantwoorden de voorkeur aan de term ‘gecommanditeerde vennoot’. Deze term zal ik dan ook vanaf dit punt gebruiken.
Asser/Maeijer 5-V (1995), nr. 347, Pitlo/Raaijmakers (2006), nr. 271, Blanco Fernández (2009), art. 20 WvK, aant. 3, Mohr & Meijers (2009), nr. 4.5.1., Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII* (2010), nr. 360, Huizink (2011), p. 61, Hamers & Van Vliet (2012), p. 76, Slagter (Personenassociaties III), I.6.1., Assink (2013), § 99.1 en § 99.4.
Meijers (2004), p. 25, Kroeze, Timmerman & Wezeman (2013), p. 14, Huizink (2011), p. 61, Assink (2013), § 99.1
Deze regel lijdt uitzondering indien een gecommanditeerde vennoot zijn vennootschappelijke positie wijzigt in die van commanditair vennoot, zie art. 20 lid 1 jo art. 30 lid 2 WvK. Bovendien treedt volgens HR 11 april 1980, NJ 1981, 377 m.nt. BW (Sleephelling Maatschappij Scheveningen/Buis) de hoofdelijke verbondenheid niet in indien de commanditair geen verwijt kan worden gemaakt van het feit dat zijn naam in de naam van de vennootschap wordt gebezigd.
Zie voor een verantwoording van deze formulering hierna onder 1.3.4.5.
De Nederlandse vennootschapsvormen kunnen in twee groepen worden onderscheiden: de kapitaalvennootschappen en de personenvennootschappen. De groep Nederlandse kapitaalvennootschappen bestaat uit de NVen de BV.1 Hun belangrijkste gemeenschappelijke kenmerk is dat slechts het eigen vermogen van de NVof BV beschikbaar is als verhaalsobject voor vennootschapscrediteuren: hun aandeelhouders zijn ingevolge art. 2:64/175 BW niet gehouden boven het bedrag dat op hun aandelen dient te worden gestort bij te dragen in de verliezen van de vennootschap.2 Daarnaast hebben de NV en de BV als kapitaalvennootschap gemeen dat ze rechtspersoon zijn en dat de wettelijke bepalingen ter zake van deze groep voor het grootste deel dwingendrechtelijk van aard zijn.3 Volgens sommigen dient als kenmerk hieraan nog te worden toegevoegd dat de aandeelhouders na oprichting van de NVof BVop de achtergrond treden en in beginsel vervangbaar zijn (institutionele opvatting).4 Volgens anderen is dat geen kenmerk van de kapitaalvennootschap als zodanig, nu de NVen in het bijzonder de BVook worden gebruikt in persoonsgebonden vormen van commerciële samenwerking, waar de aandeelhouders als ondernemers ook na oprichting van de NV of BV een prominente rol blijven spelen in de vennootschappelijke organisatie (instrumentele opvatting).5 Daarmee wordt een brug geslagen naar de tweede groep vennootschapsvormen, die wordt gevormd door de personenvennootschappen. Deze groep, ook wel de ‘contractuele samenwerkingsvormen’ genoemd,6 bestaat uit de maatschap, de vennootschap onder firma en de commanditaire vennootschap.7 Het belangrijkste gemeenschappelijke kenmerk van deze groep is dat de vennoten, met uitzondering van de commanditaire vennoten van een commanditaire vennootschap, persoonlijk met hun gehele vermogen aansprakelijk zijn voor schulden van de personenvennootschap: ieder voor een gelijk deel in geval van een maatschap, en ieder hoofdelijk en dus voor het geheel in geval van een vennootschap onder firma of een commanditaire vennootschap.8 Daarnaast geldt dat ze naar huidig recht geen rechtspersoon zijn,9 en dat de wettelijke bepalingen ter zake van deze groep voor het overgrote deel van regelend recht zijn: de betrekkingen tussen de vennoten worden in de eerste plaats beheerst door de vennootschapsovereenkomst.10 Ook wordt de personenvennootschap daardoor gekenmerkt dat elk van partijen haar aangaat met het oog op de persoon van zijn of haar medevennoot of medevennoten (intuitu personae-beginsel).11 De maatschap is de grondvorm van de personenvennootschappen. 12 Zij wordt in art. 7A:1655 BW gedefinieerd als de overeenkomst, waarbij twee of meer personen zich verbinden om iets in gemeenschap te brengen, met het oogmerk het daaruit ontstaande voordeel met elkander te delen. Naar algemeen gevoelen moet aan deze uit 1838 stammende definitie het voor de maatschap essentiële element ‘samenwerken’ worden toegevoegd: de maatschap is, evenals de vennootschap onder firma en de commanditaire vennootschap, in de eerste plaats een organisatie gericht op samenwerking in het economisch verkeer.13 De maten of vennoten zijn krachtens art. 7A:1680 BWvoor deelbare schulden van de maatschap voor gelijke delen aansprakelijk. Een vennootschap onder firma is volgens art. 16WvK een handelsrechtelijk species van het genus maatschap: het is de maatschap die onder een gemeenschappelijke naam is aangegaan ter uitoefening van een bedrijf. Voor de schulden van een vennootschap onder firma zijn de vennoten volgens art. 18 WvK hoofdelijk verbonden. De derde personenvennootschapsvorm is de commanditaire vennootschap. Het unieke van deze rechtsvorm is dat zij volgens art. 19 WvK twee soorten vennoten heeft: enerzijds een of meer onbeperkt aansprakelijke en, zo het aantal van deze vennoten twee of meer is, hoofdelijk verbonden vennoten, die doorgaans ‘beherende’ vennoten14 worden genoemd, en anderzijds een of meer andere vennoten, die optreden als geldschieter van de vennootschap. Deze laatsten worden meestal ‘commanditaire’ vennoten genoemd. Een commanditaire vennoot is normaliter jegens derden niet aansprakelijk voor schulden van de vennootschap.15 In zoverre is de positie van een commanditaire vennoot te vergelijken met die van een aandeelhouder in een NV of een BV.16 Wel is een commanditaire vennoot krachtens art. 20 lid 3 WvK intern, jegens de gecommanditeerde vennoten, aansprakelijk (of correcter geformuleerd: draagplichtig) tot het bedrag van zijn inbreng. Dit houdt in dat hij slechts ten hoogste tot het bedrag van zijn inbreng deelt in de verliezen van de commanditaire vennootschap; verliezen die de inbreng te boven gaan komen voor rekening van de gecommanditeerde vennoten.Wil de commanditaire vennoot deze bevoorrechte positie behouden, dan dient aan twee vereisten te worden voldaan. In de eerste plaats mag volgens art. 20 lid 1 WvK de naam van de commanditaire vennoot in beginsel17 niet voorkomen in de naam van de vennootschap. In de tweede plaats verbiedt art. 20 lid 2 WvK hem een daad van beheer te verrichten of in de zaken van de vennootschap werkzaam te zijn. Bij overtreding van een van deze voorschriften verliest de commanditair het voorrecht van de beperkte aansprakelijkheid18 en wordt hij ingevolge art. 21WvK hoofdelijk voor de schulden van de vennootschap verbonden. Het is deze in art. 20 lid 2WvK opgenomen bepaling die, in samenhang met art. 21 WvK dat de gevolgen van schending van art. 20 lid 2 WvK regelt, centraal staat in de onderhavige studie.