Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/10.3.2
10.3.2 De Commissie Verdam en de invoering van de enquêtebevoegdheid in 1971
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS375829:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Commissie Verdam (1964), p. 66.
SER-advies 1967/5, p. 8.
Treurniet (1967-1968), p. 112-113.
Kamerstukken II 1967-1968, 9596, nr. 3 (MvT), p. 7. Met dit voorstel kan Treurniet zich wél verenigen. Zie Treurniet (1968-1969), p. 81.
De minister verwijst naar HR 14 april 1944, NJ 1944/369, 370 en 371; Hof Den Haag 8 augustus 1957, NJ 1958/171 en (in cassatie) HR 20 september 1957, NJ 1957/568. Zie voor een vergelijking van voorbeelden uit de jurisprudentie over art. 1 lid 2 Fw ook nog Hof Amsterdam 8 november 1922, NJ 1923/171 en Rb. Haarlem 7 januari 1975, NJ 1975/367.
Uit de rechtspraak vóór 1944 blijkt dat redenen van openbaar belang niet snel aanwezig werden geacht. Zie GS Faillissementswet/Van Koppen, art. 1 Fw, aant. 11 (online bijgewerkt tot 1 oktober 2009).
Te kennen uit GS Rechtspersonen/Veenstra, art. 2:345 BW, aantekening 1.23.3 (online bijgewerkt tot 1 mei 2014).
Het voorstel om aan de A-G de enquêtebevoegdheid te verlenen, is afkomstig van de Commissie Verdam. Voor een optreden van de A-G is volgens de Commissie Verdam in het bijzonder reden “wanneer de openbare orde en het algemeen belang een zodanig onderzoek eisen; voorts valt ook te denken aan gevallen, waarin het optreedt op verzoek van personen, die niet zó nauw bij de gang van zaken in de onderneming zijn betrokken, dat hun een eigen bevoegdheid tot het uitlokken van een onderzoek kan worden toegekend, zoals obligatiehouders, (…).”1De SER stemt in met het voorstel van de Commissie Verdam. De SER is van mening dat de A-G (destijds de procureur-generaal) kan optreden op basis van klachten die van “elke denkbare belanghebbende afkomstig zijn”.2
Anders dan de SER, kan Treurniet zich met het voorstel van Commissie Verdam niet verenigen. Treurniet verzet zich tegen de gedachte dat iedereen die zelf geen enquête of voorzieningen kan vragen zich tot de A-G kan wenden met het verzoek om een enquête in te dienen. Hij noemt als voorbeeld aandeelhouders of certificaathouders die niet voldoen aan de kapitaalseis van art. 2:346 BW en individuele werknemers in dienst van de onderneming van de betrokken rechtspersoon.3
De minister deelt de kritiek van Treurniet en neemt het voorstel van de Commissie Verdam derhalve niet integraal over. Om “de bijzondere positie van de procureur- generaal in de privaatrechtelijke materie te doen uitkomen”, is het volgens de minister wenselijk om “evenals in art. 1 Faillissementswet geschiedt, uitdrukkelijk te bepalen dat hij optreedt wanneer het openbaar belang dit vereist, en dus niet om zuiver particuliere belangen te dienen”.4 De minister maakt hier een vergelijking met art. 1 FW, waarin de bevoegdheid van het OM ook uitdrukkelijk wordt beperkt tot gevallen waarin redenen van openbaar belang zijn optreden vergen. In dat kader verwijst hij naar rechtspraak aangaande art. 1 Fw waarin de aard van de omstandigheden die aan- leiding kunnen geven tot een optreden van het OM om redenen van openbaar belang nader zijn bepaald.5 Uit deze oudere rechtspraak, met name de conclusie van waarnemend P-G Wijnveldt voor een drietal arresten van 14 april 1944, volgt dat aan het begrip ‘redenen van openbaar belang’ in art. 1 lid 2 Fw een ruime strekking moet worden toegekend.6 Er dienen volgens Wijnveldt “zoodanige omstandigheden aanwezig [te] zijn, dat er niet langer sprake is van gewone particuliere belangen, die een schuldeischer er toe brengen het faillissement van zijn schuldenaar aan te vragen, doch van redenen van meer algemeenen en ernstige aard, die het ingrijpen van het staatsorgaan wettigen”.7
Voor het overige wijdt de minister weinig woorden in de toelichting aan de enquêtebevoegdheid van de A-G. Tijdens de verdere parlementaire behandeling van het wetsvoorstel komt de enquêtebevoegdheid van de A-G wel uitgebreid aan de orde. Met name de invulling van het begrip ‘om redenen van openbaar belang’ is vaak onderdeel van de discussie geweest. Ik kom hierop terug in § 10.5.2.