Waarde en erfrecht
Einde inhoudsopgave
Waarde en erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2008/5.3.1.6.2:5.3.1.6.2 Intermezzo: objectivering en subjectivering van waardebepalende factoren
Waarde en erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2008/5.3.1.6.2
5.3.1.6.2 Intermezzo: objectivering en subjectivering van waardebepalende factoren
Documentgegevens:
prof. dr. mr. W. Burgerhart, datum 31-12-2007
- Datum
31-12-2007
- Auteur
prof. dr. mr. W. Burgerhart
- JCDI
JCDI:ADS617977:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Blijkens de ‘rekenregels’ uit de vorige paragraaf wordt bij de waardering ter berekening van de legitimaire massa, derhalve in een verdelingssituatie, soms geabstraheerd van de (rechts)handelingen van de deelgenoten en de hen betreffende feiten en omstandigheden, soms wordt daarbij aangesloten. Naar de mate van abstractie, kan men spreken van een objectieve(re) dan wel van een subjectieve(re) waarde. Zoals in hoofdstuk 4, § 3.2.1 aangegeven, is de verkoopwaarde (waarde in het economische verkeer) een zeer objectieve waarde, omdat voor de bepaling daarvan wordt uitgegaan van een fictieve verkoop op een fictieve markt, onder fictieve omstandigheden door een fictieve koper. De feitelijke wijze van verdelen, de rechtsverhoudingen tussen de betrokkenen en hun ‘privé-omstandigheden’ doen voor de bepaling van deze waarde op voorhand niet ter zake. Bij een subjectieve(re)waarde, zoals de rechtssfeerwaarde, is daarvoor wel ruimte.1
Naar algemeen wordt aangenomen kan de wijze van verdelen mede de waarde van de betrokken goederen bepalen; het is derhalve een van de waardebepalende factoren.2 Objectiveert men de verdeling, bijvoorbeeld ter bepaling van de legitimaire massa, dan gaat men voor de waardering uit van de wijze waarop zuiver rationeel handelende deelgenoten de gemeenschap hadden behoren te verdelen. Bij subjectivering sluit men in beginsel bij de feitelijk overeengekomen verdeling aan. Hetzelfde gaat op voor de ‘verdelingsafspraken’ tussen de deelgenoten en de in de betrokken subjecten ‘gelegen’ feiten en omstandigheden als waardebepalende factoren.
Blijkens de rekenregels uit het in paragraaf 3.1.6.1 aangehaalde, tweede voorbeeld van Asser-Van der Ploeg-Perrick, wordt voor de berekening van de legitimaire massa naar gelang de omstandigheden voor een objectieve dan wel subjectieve benadering gekozen. In de onderlinge verhouding tussen de legitimarissen/deelgenoten wordt de waarde in het kader van de legitiemeregeling bepaald met inachtneming van de door hen overeengekomen verdeling, waarin alle in de betrokken objecten en subjecten gelegen feiten en omstandigheden, zo mag men aannemen, weerspiegeld zullen zijn. Zo kunnen bij een verdeling de samenstelling en de omvang van het eigen vermogen van de deelgenoten van belang zijn voor de overeengekomen wijze van verdeling. De relevantie van alle bedoelde feiten en omstandigheden komt in de verdeling tot uitdrukking, die de deelgenoten immers zelf hebben gewild.
In de verhouding tot bij de legitiemeregeling betrokken derden (begiftigden) wordt afstand genomen van de feitelijke afwikkeling van de nalatenschap door de erfgenamen. Indien en voor zover de waarde van goederen en schulden wordt beïnvloed door de wijze van verdeling daarvan, is niet de overeengekomen verdeling van belang maar de wijze waarop de nalatenschap door zuiver rationeel handelende deelgenoten, de redelijkheid en billijkheid in acht nemend, verdeeld had moeten worden. Een objectieve benadering derhalve, waarbij de omvang en samenstelling van het eigen vermogen van de legitimarissen buiten beschouwing blijven. De legitieme portie is immers een gedeelte van de goederen van de overledene waarover hij noch bij gift noch bij uiterste wilsbeschikking mocht beschikken (art. 4:960 BW oud).
De verklaring voor de verschillende waardebenaderingen in de legitiemeregeling is, zo geeft Perrick in het bedoelde derde voorbeeld ook terloops aan, gelegen in het feit dat de derden ‘geheel buiten de scheiding staan’. Het uitgangspunt in de door de wetgever geregeerde legitiemeregeling is de objectieve verkoopwaarde (economische waarde). Daarbij dient echter te worden bedacht dat onder meer het waardevraagstuk voor de legitieme portie onder het oude erfrecht, bij de aanwezigheid van meer dan één legitimaris, altijd in een verdeling speelde. De legitieme portie was immers goederenrechtelijk van aard; het beroep daarop leverde erfgenaamschap op. Door het overeenkomen van de verdeling in het kader van de afwikkeling van de betrokken nalatenschap beëindigen de deelgenoten in beginsel zowel hun onderlinge rechtsverhoudingen als erfgenaam en als legitimaris. Indien en voor zover de verdeling van belang is voor de waarde van de tot de nalatenschap behorende goederen en schulden, zijn de legitimarissen aan die waarde als zodanig en als deelgenoot gebonden.
Het subjectieve verdelingsresultaat mag niet van invloed zijn voor het antwoord op de vraag of de legitieme portie daarmee volledig is verkregen dan wel daarvoor nog giften ingekort kunnen worden. Deze begiftigden staan immers buiten de verdeling. Slechts het objectieve verdelingsresultaat bepaalt of en in welke mate inkorting ten laste van buitenstaanders kan plaatsvinden.