Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/5.6.3
5.6.3 Andere weigeringsgronden
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS442376:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In het voorontwerp Insolventiewet wordt in art. 6.2.18 lid 3 mijns inziens overbodig gesproken van zwaarwegende gronden. Ook zonder die woorden zou immers moeten worden aangenomen dat weigering van de homologatie slechts mogelijk is bij zwaarwegende gronden.
Zie voor een mooi jurisprudentieoverzicht Leuftink, p. 322 e.v. en Van Galen/ Verstijlen, Faillissementswet, Deventer: Kluwer (losbl.), art. 153 lid 3 Fw, aant. 7.
Vgl. Van Zeben, Faillissementswet, aantekening bij art. 153 lid 3 Fw. Zie voor rechtspraak o.m.: HR 21 maart 1924, W 11 221, NJ 1924, 520; Hof Arnhem 19 december 1922, NJ 1923, 1140 en Rb. Alkmaar 19 maart 1925, NJ 1925,1180.
Zie bijv. Rb. Utrecht 17 december 1924, W11 349 en Rb. Amsterdam 19 juni 1931, W 12 367.
Vgl. Hof Amsterdam 6 april 1914, W 9663 en Rb. 's-Gravenhage 16 februari 1900, W 7430, bevestigd door Hof 's-Gravenhage 21 maart 1900, W 7430: de homologatie werd geweigerd, omdat niet duidelijk was hoeveel de schuldeisers precies zouden krijgen.
Zie HR 7 september 1984, NJ 1985, 51 en Rb. Zutphen 26 januari 1984, NJ 1984, 509.
Zie HR 3 november 1910, W 9084.
Zie voor een uitspraak de paragraaf hiervoor.
Op grond van art. 153 lid 3 Fw kan de rechter ook op andere gronden en ambtshalve de homologatie weigeren.1 Aan de rechter wordt hier een grote mate van vrijheid gegeven. Wanneer gaat de rechter over tot weigering van de homologatie op grond van art. 153 lid 3 Fw? Uit de rijke jurisprudentie valt een groot aantal gronden voor weigering te destilleren. Ik noem hier slechts de belangrijkste redenen voor weigering van de homologatie ingevolge art. 153 lid 3 Fw.2
De rechter kan de homologatie weigeren, indien hij van mening is dat na afloop van het faillissement voor de concurrente crediteuren baten te verwachten zijn die uitzicht bieden op een hogere uitkering dan zij bij een akkoord ontvangen.3
Indien de uitkering in geval van insolventie voor de concurrente schuldeisers gelijk zal zijn aan hetgeen zij bij een akkoord ontvangen of wanneer een akkoord slechts in geringe mate voordeel oplevert.4
Indien een akkoord aan duidelijkheid te wensen over laat.5
Als blijkt dat niet vaststaat dat de preferente schuldeisers volledig zullen worden voldaan of als er geen regeling met hen is getroffen.6
Het ontbreken van een volmacht van de schuldenaar om een akkoord aan te bieden, kan ook een grond zijn de homologatie te weigeren.7
Indien oneerlijke middelen zijn gebruikt, zonder dat van causaal verband tussen het oneerlijke middel en de totstandkoming van een akkoord sprake is.8
Uit de rijke jurisprudentie blijkt dat art. 153 lid 3 Fw als een belangrijk vangnet fungeert om akkoorden die niet krachtens de imperatieve gronden kunnen worden geweigerd, toch de homologatie te kunnen onthouden. Zoals uit het voorgaande blijkt, kunnen er diverse redenen voor de rechter zijn om de homologatie van een akkoord te weigeren. Uit de paragrafen hiervoor is gebleken dat de rechter bij de homologatie tevens heeft na te gaan of voor een eventuele inbreuk op de paritas creditorum en voor het onthouden van het stemrecht een rechtvaardiging aanwezig is.