Einde inhoudsopgave
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/171
171 Voordeel in strijd met doel bepaling
mr. J.F. Vlek, datum 30-10-2014
- Datum
30-10-2014
- Auteur
mr. J.F. Vlek
- JCDI
JCDI:ADS507702:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Europees burgerlijk procesrecht
Internationaal privaatrecht / Internationaal bevoegdheidsrecht
Voetnoten
Voetnoten
Conclusie AG Maduro d.d. 7 april 2005, zaak C-255/02 (Halifax), onder nr. 70.
HvJEG 12 september 2006, zaak C-196/04, Jur. 2006, p. I-07995, BNB 2007, 54 (Cadbury Schweppes). Zie ook HvJEG 5 juli 2007, zaak C-321/05, Jur. 2007, p. I-05795 (Kofoed), waarin het HvJEG onder verwijzing naar onder meer het arrest Halifax in r.o. 38 overweegt: “Artikel 11 (…) van richtlijn (…) weerspiegelt aldus het algemene beginsel van gemeenschapsrecht, dat rechtsmisbruik is verboden. De justitiabelen kunnen in geval van fraude of misbruik geen beroep op het gemeenschapsrecht doen. De toepassing van de gemeenschapsregels kan niet zo ver gaan, dat misbruiken worden gedekt, dat wil zeggen transacties die niet zijn verricht in het kader van normale handelstransacties, maar uitsluitend met het doel om de door het gemeenschapsrecht toegekende voordelen op onrechtmatige wijze te verkrijgen (…).”
HR 10 februari 2012, NTFR 2012/639 m.nt. Becks.
Vastgesteld moet worden ten eerste dat de betrokken transacties, in weerwil van de formele toepassing van de voorwaarden in de desbetreffende bepalingen, ertoe leiden dat in strijd met het doel van deze bepalingen een (financieel) voordeel wordt toegekend. Ten tweede moet uit het geheel van objectieve omstandigheden blijken dat het wezenlijke doel van de betrokken transacties erin bestaat dit voordeel te verkrijgen. Knoopte het HvJ in het arrest Emsland-Stärke nog vast aan een subjectief criterium (de intentie om ongerechtvaardigd voordeel te behalen uit de toepassing van de Europese regels), in Halifax spreekt het HvJ uitsluitend van objectieve factoren waaruit moet blijken dat het doel van een beroep op het unierecht slechts gelegen is in het behalen van een ongerechtvaardigd voordeel. Waarschijnlijk is het HvJ hiertoe aangezet door de conclusie van AG Maduro voor het arrest Halifax. Hierin geeft hij aan dat hoewel het HvJ in Emsland-Stärke spreekt van een subjectief element (de bedoeling om een door het unierecht toegekend voordeel te verkrijgen), hij eigenlijk een objectief criterium hanteert:
‘Wanneer er volgens het Hof sprake is van misbruik indien de betrokken activiteit geen enkel ander doel of rechtvaardigingsgrond kan hebben dan het toepasselijk maken van bepalingen van gemeenschapsrecht op een manier die strijdig is met hun doel, dan komt dat er mijns inziens op neer dat het Hof een objectief criterium voor het vaststellen van misbruik hanteert. Weliswaar zal uit deze objectieve elementen blijken dat de bij de activiteit betrokken persoon of personen hoogstwaarschijnlijk de bedoeling hadden om misbruik te maken van het gemeenschapsrecht. Maar die bedoeling is niet doorslaggevend bij de beoordeling van het misbruik. Dat is wel de activiteit zelf, objectief beschouwd. Ter illustratie het volgende voorbeeld: A volgt, zonder er verder bij na te denken, het advies van B en verricht een activiteit die alleen kan bedoeld zijn om een belastingvoordeel te verkrijgen voor A. Het feit dat A niet de subjectieve bedoeling had om misbruik te maken van het gemeenschapsrecht, kan hoegenaamd niet van belang zijn bij de beoordeling van het misbruik. Niet de werkelijke wil van A is doorslaggevend, maar het feit dat de activiteit, objectief gezien, alleen kan worden verklaard door het streven naar een belastingvoordeel.’1
Een subjectieve bedoeling zal altijd uit objectieve feitelijke omstandigheden moeten worden afgeleid. Wanneer de objectieve omstandigheden aanwezig zijn, moet worden geconcludeerd dat een persoon die zich op de letterlijke betekenis van een bepaling van unierecht beroept terwijl de aanspraak strijdig is met het doel van die bepaling, het niet verdient dat zijn aanspraak wordt gehonoreerd. In latere rechtspraak is deze lijn doorgetrokken.2 De Hoge Raad heeft recent geoordeeld dat het beginsel van misbruik van unierecht zoals uitgelegd door het HvJ kan meebrengen dat geen recht op aftrek van BTW bestaat.3