Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/18.5.2
18.5.2 Om niet of om baat?
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS404668:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de verhouding tussen de schenking en de rechtshandeling om niet: Kortmann 1995.
Polak Pannevis, Insolventierecht 2011, nr. 5.1.4. Dit kan in concernverhoudingen anders liggen, zie HR 18 maart 2003, JOR 2003/160.
Winter 1992, p. 247, Lennarts 2006c, p. 13, Wessels 2007, p. 63, De Weijs & Barneveld 2010, p. 38-47, Schutte-Veenstra 2012, p. 183-184 en Stokkermans 2012, voetnoot 6.
Rb. Utrecht (vr) 23 april 2010, JOR 2011/91 (Boers q.q./Kasberg Beheer), r.o. 4.7.1.
Hoff 2009, p. 23.
Aldus ook Lennarts 2006c, p. 13.
De wetenschap van de aandeelhouder/wederpartij is nog wel relevant voor de toepassing van art. 42 lid 3 Fw. Daarin is bepaald dat de vernietiging van een rechtshandeling om niet ten aanzien van de wederpartij (de bevoordeelde) die geen wetenschap van benadeling had, geen werking heeft, voor zover hij aantoont dat hij ten tijde van de faillietverklaring niet gebaat was door de rechtshandeling. Deze regel voorkomt dat de wederpartij te goeder trouw meer hoeft terug te geven dan de baten van de rechtshandeling.
Zie par. 18.8 hierna.
Memorie van toelichting bij de art. 44 tot en met 46 Fw, Van der Feltz 1896, p. 446. Ontleend aan De Weijs 2010a, p. 278. Deze gedachte blijkt tevens uit art. 42 lid 3 Fw, zie voetnoot 47 hiervoor.
Nu het uitkeringsbesluit en goedkeuringsbesluit kwalificeren als onverplichte rechtshandelingen, dient de vervolgvraag zich aan of sprake is van rechtshandelingen om baat of om niet. Het meest klassieke voorbeeld van een rechtshandeling om niet is de schenking, maar het begrip ‘rechtshandeling om niet’ is niet identiek aan het begrip ‘schenking’ of ‘gift’; anders dan bij een formele of materiële schenking, is voor een ‘rechtshandeling om niet’ vrijgevigheid geen vereiste.1 Ook een hoofdelijke aansprakelijkstelling, borgtocht of achterstelling van vorderingen zonder enige tegenprestatie kunnen onder omstandigheden als ‘om niet’ worden aangemerkt.2
Om niet te veel afbreuk te doen aan de belangen van de wederpartij mag niet snel worden aangenomen dat een rechtshandeling als ‘om niet’ kwalificeert. Daarvan is slechts sprake, als tegenover de door de schuldenaar verrichte prestatie geen enkele daarmee verband houdende (reële) tegenprestatie staat.3 Een groot aantal juridische auteurs heeft niettemin betoogd dat een dividenduitkering kwalificeert als een rechtshandeling om niet.4 Ook de Rechtbank Utrecht overwoog over een dividendbesluit dat “het gaat […] om een rechtshandeling om niet, zodat wetenschap van benadeling van de schuldeisers alleen aan de zijde van de vennootschap hoeft te bestaan”.5
Hoff meent daarentegen dat een uitkering een rechtshandeling om baat betreft.6 Het dividend dient zijns inziens tegenover de eerder door de aandeelhouder verrichte storting op zijn aandelen te worden gesteld en zou daarmee rechtens verband houden. Deze redenering overtuigt mij niet. De storting, die onder het huidige recht beperkt kan zijn tot een bedrag van 1 eurocent, houdt geen verband met in de toekomst gelegen concrete dividenduitkeringen; tegenover de storting staat het nemen van het aandeel en de verkrijging van de daaraan gekoppelde zeggenschapsrechten en financiële rechten. Tussen de storting en de dividenduitkering bestaat mijns inziens onvoldoende juridische band om de uitkering te kunnen aanmerken als een rechtshandeling om baat.7 Een uitkering van dividend vormt een directe netto afname van het eigen vermogen van de vennootschap, zonder dat daar een concrete prestatie van de aandeelhouder tegenover staat. Een dividenduitkering kan niet worden gelijkgesteld met een schenking, maar kwalificeert evenmin als een rechtshandeling om baat; het gaat dus om een rechtshandeling om niet.
Dat een uitkering om niet geschiedt, heeft tot gevolg dat voor de vernietiging van de daaraan ten grondslag liggende besluiten louter wetenschap van benadeling aan de zijde van de vennootschap vereist is, en de wetenschap van de wederpartij – de aandeelhouder die het dividend heeft ontvangen – dus geen rol speelt.8 Daarnaast wordt op grond van art. 45 Fw vermoed dat de vennootschap de voor vernietiging vereiste wetenschap had als de vennootschap binnen een jaar na de uitkering is gefailleerd. Dat de wetenschap van de aandeelhouder omtrent het benadelende karakter niet vereist is voor vernietiging van het dividend, is mijns inziens niet onredelijk, nu de aandeelhouder daardoor uitsluitend kan worden aangesproken tot restitutie van hetgeen hij teveel ontvangen heeft, en daarmee niet in een slechtere positie komt te verkeren dan voordat de benadelende uitkering plaatsvond.9 Deze gedachte sluit mijns inziens goed aan bij de toelichting bij de faillissementspauliana.
In de Memorie van Toelichting is overwogen: “Den begiftigde, die onder bepaalde omstandigheden verplicht wordt aan de schuldeischers des schenkers het ontvangene te restitueren, wordt dus niet zozeer een nadeel toegebracht, maar hem wordt veeleer een ongedachte winst weer onttrokken. Het is deze omstandigheid, dat de begiftigde niet benadeeldwordt, die de hier bedoelde uitbreiding der Pauliana rechtvaardigt: het verleenen van een rechtsmiddel aan de schuldeischers des schenkers tot terugverlanging van een gift, waardoor zij opzettelijk zijn benadeeld, ook van hem die haar geheel te goeder trouw ontving.”10 (Onderstr. JB)