Hof Den Haag, 23-04-2024, nr. 200.274.857/01
ECLI:NL:GHDHA:2024:1330
- Instantie
Hof Den Haag
- Datum
23-04-2024
- Zaaknummer
200.274.857/01
- Vakgebied(en)
Vervoersrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Internationaal publiekrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHDHA:2024:1330, Uitspraak, Hof Den Haag, 23‑04‑2024; (Hoger beroep)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2025:1468
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHDHA:2023:15
ECLI:NL:GHDHA:2023:15, Uitspraak, Hof Den Haag, 17‑01‑2023; (Hoger beroep)
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2020:3643
Einduitspraak: ECLI:NL:GHDHA:2024:1330
- Vindplaatsen
NTHR 2024/68, 211
CMI2659
CMI2359
Uitspraak 23‑04‑2024
Inhoudsindicatie
Samenhang met ECLI:NL:GHDHA:2024:1331. Aansprakelijkheid voor onrechtmatig beslag naar Marokkaans recht. Beslaglegger heeft beslagrechter onjuist en niet te goeder trouw voorgelicht omtrent de door haar gepretendeerde vordering op de beoogde beslagdebiteur. Bij juiste voorlichting, mede over de de bereidheid van de beoogde beslagdebiteur om zekerheid te stellen, zou het verlof niet zijn verleend. De beslaglegger is daarom aansprakelijk voor de door het beslag veroorzaakte schade.
Partij(en)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team handel
Zaaknummer hof : 200.274.857/01Zaaknummer rechtbank: C/10/572221 HA ZA 19-354
Arrest van 23 april 2024
in de zaak van
1. Zodiac Maritime Ltd.,gevestigd in Londen, Verenigd Koninkrijk,
2. Dexhon Shipping Inc.,gevestigd in Tortola, Britse Maagdeneilanden, appellanten, advocaat: mr. M.M. van Leeuwen, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen
V Marine Fuels B.V.,
gevestigd in Rotterdam,
verweerster,
advocaat: mr. M. Verhagen, kantoorhoudend in Rotterdam.
Het hof zal partijen hierna Zodiac, Dexhon en VMF noemen, en eerstgenoemden gezamenlijk Zodiac c.s.
1. Het verdere procesverloop
Voor het verloop van de procedure tot aan het arrest van 17 januari 2023, verwijst het hof naar dat arrest (hierna: het tussenarrest). Het hof heeft met dat arrest de zaak naar de rol verwezen voor aktes van beide partijen. Partijen hebben daarna de volgende stukken gewisseld:
- -
Akte VMF, met productie 1
- -
Memorie na tussenarrest Zodiac c.s., met producties 8-15
- -
Antwoordakte VMF, met producties 2-4
- -
Antwoordakte Zodiac c.s., met producties 16-19
- -
Akte VMF, met producties 5-6
- -
Nadere akte Zodiac c.s., met producties 20-24.
2. De verdere beoordeling
2.1
Samengevat gaat het in deze zaak om het volgende. OBW heeft bunkerolie gekocht bij VMF en deze doorverkocht aan Zodiac c.s., die de bunkerolie heeft verbruikt voor de voortstuwing van haar zeeschip de Forest Park. OWB heeft verzuimd de koopprijs te betalen. VMF stelt dat Zodiac c.s. onrechtmatig tegenover haar heeft gehandeld omdat zij de bunkerolie heeft verbruikt ondanks dat zij bekend was geraakt met het eigendoms–voorbehoud in het contract tussen VMF en OWB, dan wel dat Zodiac c.s. door deze gang van zaken ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van VMF. In conventie vordert VMF hiervoor schadevergoeding van Zodiac c.s. Zodiac c.s. stelt op haar beurt dat VMF ten onrechte in Marokko beslag heeft laten leggen op de Forest Park en daarom tegenover haar aansprakelijk is. Daarvoor vordert zij in reconventie schadevergoeding van VMF.
2.2
Met het tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat Zodiac c.s. niet onrechtmatig tegenover VMF heeft gehandeld, noch ongerechtvaardigd ten koste van VMF is verrijkt. Dit betekent dat de vordering in conventie niet toewijsbaar is.
2.3
Met het tussenarrest heeft het hof partijen verder opgedragen om zich bij akte (nader) uit te laten over de door Zodiac c.s. in reconventie gestelde aansprakelijkheid van VMF. Dit hebben partijen gedaan. Het hof zal de vordering in reconventie toewijzen. Het hof licht dit als volgt toe.
Maatstaf aansprakelijkheid
2.4
Zoals overwogen in het tussenarrest, moet de aansprakelijkheid van VMF voor het beslag worden beoordeeld naar Marokkaans recht. Elk van partijen heeft opinies ingebracht van een door haar ingeschakelde, in Marokko praktiserende (maritieme) advocaat. Zodiac c.s. heeft opinies ingebracht van mr. Saïg, advocaat te Casablanca. VMF heeft opinies ingebracht van mr. Lahlou, ook advocaat te Casablanca.
2.5
Uit deze opinies volgt dat naar Marokkaans recht niet de regel geldt – zoals naar Nederlands recht geldt – dat de beslagene een vordering uit onrechtmatige beslaglegging geldend kan maken op de enkele grond dat de vordering waarvoor beslag is gelegd later ondeugdelijk is gebleken. Wel zijn naar Marokkaans recht justitiabelen verplicht hun rechten te goeder trouw uit te oefenen (mr. Saïg en mr. Lahlou zijn het hierover ook eens). Dit geldt ook voor het (ex parte) vragen om verlof tot beslaglegging.
2.6
In het navolgende zal het hof eerst toelichten dat VMF in haar beslagrekest de beslagrechter onjuist en niet te goeder trouw heeft voorgelicht (2.7-2.11). Daarna zal het hof uiteenzetten dat bij te goeder trouw gegeven voorlichting het verlof niet zou zijn verleend (2.12-2.18) en dat daarom VMF aansprakelijk is voor de door het beslag veroorzaakte schade (2.19).
VMF heeft de beslagrechter onjuist en niet te goeder trouw voorgelicht
2.7
Het verzoekschrift dat tot de gewraakte beslaglegging heeft geleid luidde volgens de onweersproken vertaling die Zodiac c.s. in het geding heeft gebracht, voor zover van belang, als volgt:
“verzoekster heeft een vordering van 272.862,74 Amerikaanse dollars op de reder van het schip “FOREST PARK” voor brandstof geleverd op 2014/10/15 aan de reder door middel van het schip toebehorend aan de verzoekster genaamd “OOSTZEE”;
De vordering van verzoekster is onbetwistbaar, zoals blijkt uit de navolgende documenten:- het ontvangstbewijs voor de brandstof, met het stempel en de handtekening van de kapitein van het schip (productie 1);
- de onbetaalde factuur (productie 2);
- een kopie van het internet waaruit blijkt dat het schip OOSTZEE toebehoort aan de verzoekster (productie 3).
[…] In ieder geval is de vordering van de verzoekster vastgesteld in deze kwestie op basis van de bovengenoemde documenten.” (onderstreping/vet in het origineel)
2.8
De bij het verzoekschrift gevoegde factuur van VMF was geadresseerd als volgt:
Master and/or Owner and/or Managing Owners and/or Charterers and/or Buyers of MV “FOREST PARK” and :OW BUNKER (NETHERLANDS) BV
[adres]”
2.9
Het verlof tot beslaglegging luidt volgens de vertaling die VMF in het geding heeft gebracht, voor zover van belang:
“Considering that the plaintiff has supported its claim by disclosing a copy of the bunker delivery receipt, the outstanding invoice and an extract from the equasis website,
In consideration of the arguments put forward by the plaintiff and the exhibits disclosed, we consider the application to be well-founded and relevant.”
2.10
De omschrijving van de vordering waarvoor VMF in haar verzoekschrift verlof tot beslaglegging vroeg, kan niet anders worden uitgelegd dan dat het ging om een contractuele vordering op Zodiac. Dit volgt in het bijzonder uit de mededeling dat de vordering op de ‘reder’ (Zodiac) was ‘vastgesteld’ met de met het verzoekschrift overgelegde documenten, dat wil zeggen de mede aan ‘Master and/or Owner and/or Managing Owners and/or Charterers and/or Buyers of MV “FOREST PARK”’ gerichte factuur en de afleverbon. Blijkens het beslagverlof heeft de beslagrechter de gepretendeerde vordering ook uitgelegd als een contractuele vordering op Zodiac.
2.11
VMF stelt zich in de onderhavige procedure niet (meer) op het standpunt dat zij een contractuele vordering heeft of had op Zodiac. In de in zoverre niet of onvoldoende weersproken stellingen van Zodiac c.s. ligt besloten dat VMF van iets anders ook niet te goeder trouw mocht uitgaan. Hiermee staat vast dat VMF de beslagrechter onjuist en niet te goeder trouw heeft voorgelicht. De stelling van mr. Lahlou in zijn opinie van 22 mei 2023 dat het goedetrouwbeginsel slechts impliceert dat partijen niet op basis van leugens mogen procederen doet hieraan niet af: het hof onderschrijft die stelling niet voor zover mr. Lahlou daarmee mocht bedoelen dat de hiervoor bedoelde onjuiste voorlichting van de beslagrechter niet ongeoorloofd was onder het goedetrouwbeginsel naar Marokkaans recht.
Bij te goeder trouw gegeven voorlichting zou het verlof niet zijn verleend
2.12
Mr. Saïg stelt in zijn opinie van 26 maart 2023 dat de huidige – naar het hof begrijpt: Marokkaanse – praktijk en professionele gebruiken meebrengen dat een partij die ex parte om verlof tot beslaglegging vraagt, de rechter naar waarheid en volledig informeert over de bestaande situatie en de gronden voor het beslag. Op grond van de voorliggende feiten betekent dit volgens hem dat VMF de beslagrechter over de volgende elementen had moeten voorlichten: (i) dat VMF bunkerolie had geleverd aan de Forest Park op basis van een overeenkomst met OWB; (ii) dat OWB de factuur niet had betaald en inmiddels failliet was verklaard; (iii) dat VMF geen contractuele relatie had met de reder Zodiac; (iv) dat VMF zich tot Zodiac had gericht en dat NEPIA op die mededeling had gereageerd; (v) dat NEPIA zich teweer heeft gesteld tegen het dreigen met beslag op het schip; (vi) dat NEPIA de mogelijkheid had genoemd dat vrijwillig een garantie zou worden gesteld.
2.13
Als deze elementen volledig in het verzoekschrift waren opgenomen, dan zou het verlof niet zijn gegeven – aldus mr. Saïg.
2.14
Mr. Lahlou stelt in zijn opinies dat voldoende is dat een zeerechtelijke vordering wordt gepretendeerd, en dat de stukken die die pretentie onderbouwen (de factuur en het bewijs dat de bunkerolie is geleverd) worden overgelegd – en dat dat in dit geval is gebeurd. Ook stelt mr. Lahlou dat tegenover de beslagrechter geen verplichting tot volledigheid van informatieverschaffing bestaat. Tot slot stelt mr. Lahlou, voor zover van belang, dat wanneer het berichtenverkeer tussen VMF, Zodiac en NEPIA (vlg. het tussenarrest, 3.6-9) aan de beslagrechter zou zijn overgelegd, het verlof evengoed zou zijn verleend.
2.15
Het hof oordeelt hierover als volgt. Met zijn stelling dat voor beslaglegging voldoende is dat een zeerechtelijke vordering wordt gepretendeerd, bedoelt mr. Lahlou mogelijk dat irrelevant is wie de debiteur is van de vordering in kwestie. Voor zover hij daarmee bedoelt dat VMF op grond van artikel 3 lid 4 tweede volzin van het Beslagverdrag beslag mocht leggen op de Forest Park ter verzekering van haar vordering op OWB, gaat dat om de volgende reden niet op. Uit artikel 3 lid 4, tweede volzin van het Beslagverdrag volgt dat onder bepaalde omstandigheden conservatoir beslag kan worden gelegd voor een zeerechtelijke vordering waarvoor een ander dan de eigenaar van het schip aansprakelijk is. Dit geldt echter niet in het geval dat naar het op die vordering toepasselijke recht geen verhaal op (of afgifte van) het schip mogelijk is (vergelijk HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2708). VMF stelt zich niet op het standpunt dat zij voor haar vordering op OWB naar het daarop toepasselijke recht een verhaalsrecht had op de Forest Park.
2.16
VMF heeft nog betoogd dat Marokkaanse rechters bij een verzoek tot beslaglegging onder het Beslagverdrag niet onderzoeken of het op de vordering toepasselijke recht beslag is toegestaan, waarmee VMF mogelijk bedoelt: of het op de vordering toepasselijke recht een verhaalsrecht op het schip biedt. Het hof heeft geen concrete aanwijzing dat Marokkaanse rechters het Beslagverdrag op andere dan de hiervoor in 2.15 bedoelde wijze interpreteren, dan wel niet plegen te onderzoeken of aan de voorwaarden voor het verlenen van verlof wordt voldaan. Hoe dan ook gaat het hof ervan uit dat als VMF te goeder trouw aan de beslagrechter had medegedeeld dat het op haar vordering op OWB toepasselijke recht haar geen verhaalsrecht op de Forest Park verschafte, het verlof niet ter verzekering van die vordering zou zijn verleend.
2.17
Het hof gaat ervan uit dat VMF naar Marokkaans recht in dit geval – waarin zij geen contractuele vordering had op de eigenaar van het schip, terwijl haar vordering op OWB haar geen verhaalsrecht op het schip verschafte – de feitelijke grondslag van de gepretendeerde vordering aan de beslagrechter had moeten presenteren. Daartoe behoren ten minste de hiervoor in 2.13 onder i en iii genoemde feiten. Deze feitelijke grondslag zou de beslagrechter hebben geconfronteerd met de vraag waarom VMF Zodiac c.s. zou kunnen aanspreken tot betaling van de bunkerolie hoewel OWB de contractspartij van VMF was. Voor de beoordeling van de vraag of het verlof zou moeten worden verleend, zou in dit geval daarom wel degelijk van belang zijn dat (NEPIA namens) Zodiac c.s. zich verzette tegen de (dreigende) beslaglegging en de mogelijkheid noemde dat vrijwillig een garantie zou worden gesteld. Dat had NEPIA gedaan in haar bericht aan VMF van 20 november 2014 met de volgende bewoordingen:
“If you are able to show that payment is due to you, our Members are prepared to offer payment into an escrow account for the benefit of the parties claiming payment in respect of the supply until it has been determined/agreed (between you, the relevant banks and/or OW) as to whom funds shall be paid.”
2.18
Ook de hiervoor in 2.12 onder iv-vi genoemde feiten had VMF dus in haar verzoekschrift moeten vermelden. Daarvoor was eens te meer aanleiding omdat het ging om een ex parte-procedure, waarin de beslagrechter op basis van slechts door de verzoeker te verstrekken informatie moet kunnen beoordelen of er gronden zijn voor toewijzing van het verzoek. Naar het oordeel van het hof moet worden aangenomen dat áls VMF in haar beslagrekest al tot formulering zou zijn gekomen van de buitencontractuele grondslag van haar vordering, zij de beslagrechter niet van de (summierlijke) deugdelijkheid daarvan had kunnen overtuigen. Mede in het licht van de namens Zodiac c.s. aangeboden garantie (waarvan VMF niet stelt dat die niet genoegzaam zou zijn geweest), is het hof van oordeel dat de Marokkaanse rechter het verlof niet zou hebben verleend als VMF in haar verzoekschrift de in 2.12 onder i en iii-vi bedoelde feiten had vermeld.
VMF is aansprakelijk voor de door het beslag veroorzaakte schade
2.19
Met het voorgaande staat vast dat de onjuiste informatieverschaffing door VMF aan de beslagrechter er de oorzaak van is dat er beslag is gelegd op het schip, en daarmee van de schade die Zodiac c.s. hierdoor heeft geleden en nog zal lijden. Het hof zal de vordering in reconventie daarom toewijzen.
Conclusie; proceskosten
2.20
Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen en de vordering van VMF afwijzen en die van Zodiac c.s. toewijzen, met veroordeling van VMF in de kosten van beide instanties. Het hof begroot deze kosten tot aan de datum van dit arrest als volgt:

3. Beslissing
Het hof:
- -
vernietigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 19 februari 2020, zoals gerectificeerd bij vonnis van 15 april 2020;
- -
wijst de vordering in conventie af;
- -
verklaart voor recht dat VMF aansprakelijk is voor de schade die Zodiac c.s. heeft geleden en eventueel nog zal lijden als gevolg van het beslag dat VMF op of omstreeks 13 januari 2015 heeft doen leggen op de Forest Park in Marokko, met veroordeling van VMF tot vergoeding van deze schade aan Zodiac c.s., op te maken bij staat;
- -
veroordeelt VMF in de kosten van de eerste aanleg, aan de zijde van Zodiac c.s. begroot tot op heden op € 10.247,00;
- -
veroordeelt VMF in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van Zodiac c.s. begroot tot op heden op € 16.692,50 en op € 278,00 voor het nasalaris, nog te verhogen met € 92,00 als niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening ervan heeft plaatsgevonden;
- -
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
- -
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Frieling, C.A. Joustra en W. van der Velde en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2024 in aanwezigheid van de griffier.
Uitspraak 17‑01‑2023
Inhoudsindicatie
Conventie: (door)verkoop bunkerolie A-B-C. Was C gehouden om eigendomsvoorbehoud in de relatie A-B respecteren, ondanks haar bevoegdheid tegenover B om de bunkerolie te verbruiken ten behoeve van de voortstuwing van haar zeeschip, ook zolang zij B nog niet had betaald? Hof: nee. Reconventie: is A tegenover C aansprakelijk voor schade ten gevolge van door haar in Marokko op het zeeschip van C gelegd beslag? Hof: partijen dienen zich nader uit te laten over deze gestelde aansprakelijkheid, die wordt beheerst door Marokkaans recht.
Partij(en)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team handel
Zaaknummer hof : 200.274.857/01Zaaknummer rechtbank : C/10/572221 HA ZA 19-354
Arrest van 17 januari 2023
in de zaak van
1. Zodiac Maritime Ltd.,gevestigd in Londen, Verenigd Koninkrijk,
2. Dexhon Shipping Inc.,gevestigd in Tortola, Britse Maagdeneilanden, appellanten, advocaat: mr. M.M. van Leeuwen, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen
V Marine Fuels B.V.,
gevestigd in Rotterdam,
verweerster,
advocaat: mr. M. Verhagen, kantoorhoudend in Rotterdam.
Het hof zal partijen hierna Zodiac, Dexhon en VMF noemen, en eerstgenoemden gezamenlijk Zodiac c.s.
1. De zaak in het kort
OWB heeft bunkerolie gekocht bij VMF en deze doorverkocht aan Zodiac c.s., die de bunkerolie heeft verbruikt voor de voortstuwing van haar zeeschip. OWB heeft verzuimd de koopprijs te betalen. VMF stelt dat Zodiac c.s. onrechtmatig tegenover haar heeft gehandeld omdat Zodiac c.s. de bunkerolie heeft verbruikt ondanks dat zij bekend was geraakt met het eigendomsvoorbehoud in het contract tussen VMF en OWB. Zodiac c.s. is op haar beurt van mening dat VMF ten onrechte in Marokko beslag heeft laten leggen op het zeeschip en daarom tegenover haar aansprakelijk is.
2. Procesverloop in hoger beroep
Voor het verloop van de procedure in hoger beroep tot aan het arrest van dit hof van 4 mei 2021, verwijst het hof naar dat arrest. Met dat arrest heeft het hof, voor zover nog van belang, de uitvoerbaarheid bij voorraad van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 19 februari 2020, zoals aangevuld bij vonnis van 15 april 2020 (hierna gezamenlijk ook: het bestreden vonnis) geschorst, de zaak gevoegd met een andere bij dit hof aanhangige zaak tussen dezelfde partijen, en de zaak naar de rol verwezen voor memorie van antwoord. Die andere zaak is intussen ambtshalve doorgehaald. VMF heeft een memorie van antwoord genomen, waarna partijen (aanvullend) hebben gefourneerd voor arrest.
3. Feitelijke achtergrond
3.1
De feiten die de rechtbank Rotterdam heeft vastgesteld in paragraaf 2 van het bestreden vonnis zijn niet in geschil. Ook het hof gaat daarvan uit. Samengevat gaat het om het volgende.
3.2
Dexhon was in 2014 en 2015 eigenaar van het zeeschip Forest Park. Zodiac was daarvan beheerder of manager. Zodiac c.s. heeft zichzelf in deze procedure aangeduid als de reder van het schip.
3.3
Zodiac heeft omstreeks 8 oktober 2014 een hoeveelheid bunkerolie besteld bij OWB ten behoeve van de Forest Park, af te leveren in Rotterdam. In deze koop had OWB een eigendomsvoorbehoud bedongen. De toepasselijke algemene voorwaarden bepaalden, voor zover van belang:“Until full payment of the full amount due to the Seller has been made […] the Buyer shall not be entitled to use the Bunkers other than for the propulsion of the Vessel […]”
3.4
OWB heeft de betreffende partij bunkerolie op 13 oktober 2014 ingekocht bij VMF. Ook in deze koop was een eigendomsvoorbehoud van toepassing. De toepasselijke algemene voorwaarden bepaalden, voor zover van belang:“Until full payment of everything due to the Seller, for whatever nature, has been made […] the Buyer shall not be entitled to use the Bunkers other than for the propulsion of the Vessel […]”
3.5
Op 15 oktober 2014 heeft VMF de bunkerolie doen afleveren aan de Forest Park in Rotterdam. Op diezelfde dag heeft VMF OWB hiervoor US$ 272.862,74 gefactureerd (due latest by 5 november 2014). OWB heeft op haar beurt Zodiac c.s. gefactureerd voor een bedrag van US$ 286.393,13 (due date 14 november 2014).
3.6
Op 6 november 2014 heeft VMF Zodiac medegedeeld dat de groep waartoe OWB behoorde in financieel zwaar weer verkeerde en dat OWB nalatig was met de betaling van de koopprijs aan VMF. Zij heeft daarbij haar eigendomsvoorbehoud op de bunkerolie ingeroepen en Zodiac c.s. aangezegd de bunkerolie niet (verder) te verbruiken. Daarmee is Zodiac c.s. c.q. de Forest Park desondanks voortgegaan (ten behoeve van de voortstuwing van de Forest Park). Verder heeft VMF Zodiac verzocht om de koopprijs van US$ 272.862,74 aan haar te betalen en heeft zij gerechtelijke stappen (‘legal action’) tegen Forest Park aangekondigd indien Zodiac niet zou betalen.
3.7
Op 7 november 2014 heeft ING Bank N.V. (hierna: ING) Zodiac medegedeeld dat OWB haar vordering op Zodiac aan haar in zekerheid had gegeven. ING heeft Zodiac gevraagd om betaling van de koopprijs.
3.8
Op 7 november 2014 heeft The North of England P&I Association Ltd. (hierna: NEPIA), namens Zodiac c.s. gereageerd op het bericht van VMF van 6 november 2014 (hiervoor, 3.6). NEPIA schreef onder meer dat Zodiac c.s. de bunkerolie niet van VMF maar van OWB had gekocht en dat daarom de koopprijs niet aan VMF betaalbaar was. Voorts maakte NEPIA bezwaar tegen de aangekondigde gerechtelijke stappen tegen de Forest Park en verzocht zij om bevestiging dat VMF daarvan voorlopig zou afzien.
3.9
Omdat VMF niet reageerde, heeft NEPIA bij brief van 20 november 2014 wederom betwist dat Zodiac enig bedrag aan VMF was verschuldigd. Verder schreef zij dat VMF, indien zij toch beslag op het schip zou willen laten leggen, ook dit bericht van 20 november 2014 aan het betreffende gerecht zou moeten voorleggen.
3.10
Op 21 november 2014 is OWB gefailleerd.
3.11
Op of omstreeks 13 januari 2015 heeft VMF met verlof van het gerecht (het tribunal de commerce) te Casablanca, Marokko, conservatoir beslag doen leggen op de Forest Park, die op dat moment lag afgemeerd in Safi, Marokko, tot zekerheid voor het verhaal van de openstaande vordering uit hoofde van de levering van de bunkerolie. VMF had bij haar beslagrekest niet de berichten van NEPIA van 7 en/of 20 november 2014 (hiervoor, 3.8-9) gevoegd. Het beslag is op 16 januari 2015 opgeheven nadat Zodiac c.s. zekerheid had gesteld door middel van een contante storting bij het gerecht in Casablanca.
3.12
In 2016 heeft Zodiac ING voor de bunkerolie betaald.
4. Procedure bij de rechtbank
4.1
In eerste aanleg heeft VMF betaling gevorderd van Zodiac c.s. van US$ 272.862,74 (het bedrag van haar verkoopprijs aan OWB), vermeerderd met rente en kosten. Aan deze vordering heeft zij samengevat ten grondslag gelegd dat Zodiac c.s. met haar verbruik van de bunkerolie onrechtmatig tegenover VMF had gehandeld of ten laste van VMF ongerechtvaardigd was verrijkt.
4.2
Onder voorwaarde dat deze vordering van VMF zou worden afgewezen, heeft Zodiac c.s. op haar beurt een verklaring voor recht gevorderd dat VMF aansprakelijk is voor de schade die Zodiac c.s. heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig gelegde beslag op de Forest Park (hiervoor, 3.9 en 3.11), alsmede veroordeling van VMF tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat
4.3
De rechtbank heeft de vordering van VMF tot een bedrag van US$ 150.000 toegewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Zodiac c.s. onrechtmatig tegenover VMF gehandeld door na ontvangst van het bericht van VMF van 6 november 2014 de bunkerolie verder te verbruiken. De US$ 150.000 was naar schatting van de rechtbank het deel van de koopprijs VMF-OWB dat viel toe te rekenen aan het verbruik van de bunkerolie na 6 november 2014. Ter zake van de voorwaardelijke reconventionele vordering heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is voldaan aan de voorwaarde waaronder deze was ingesteld, zodat niet zij niet toekwam aan de beoordeling daarvan.
5. Vorderingen in hoger beroep
Zodiac c.s. is in hoger beroep gekomen. Zij vordert dat het hof de vordering van VMF alsnog afwijst en die van haarzelf toewijst. VMF concludeert tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.
6. Beoordeling in hoger beroep
de vordering van VMF op Zodiac c.s.: internationale bevoegdheid en toepasselijke recht
6.1
Tussen partijen is niet in geschil dat de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is kennis te nemen van de vordering van VMF op Zodiac c.s. Evenmin is in geschil dat op deze vordering Nederlands recht van toepassing is.
de vordering van VMF op Zodiac c.s.: onrechtmatige daad
6.2
Zodiac c.s. stelt onder meer dat zij met haar (verdere) verbruik van de bunkerolie eenvoudig haar contractuele rechten tegenover OWB heeft uitgeoefend, dat VMF bij haar aflevering van de bunkerolie aan Zodiac c.s. op die rechten en rechtsuitoefening bedacht moest zijn, dat VMF daarom geacht moet worden daarmee op voorhand te hebben ingestemd, en dat zij daarop daarom niet later kon terugkomen met een beroep op haar eigendomsrecht. Zodiac verwijst daarbij naar het arrest van het hof Amsterdam van 18 december 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:4765 (Equinox/Yang Ming c.s.) en het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 30 januari 2019. ECLI:NL:RBROT:2019:781 (Equinox/Heerema), waarin in vergelijkbare zaken in het nadeel van de fysieke bunkerolieleverancier (de positie van VMF in het onderhavige geschil) werd beslist. Zodiac c.s. meent daarom niet onrechtmatig tegenover VMF te hebben gehandeld.
6.3
Het hof onderschrijft dit standpunt van Zodiac c.s. Onweersproken is dat Zodiac c.s. in haar contractuele relatie tot OWB gerechtigd was om de bunkerolie te (blijven) verbruiken ten behoeve van de vaart van “the Vessel” (hiervoor, 3.3), dat wil zeggen de Forest Park.
6.4
VMF werpt Zodiac c.s. tegen dat deze onrechtmatig tegenover haar heeft gehandeld, omdat Zodiac c.s. bedacht moest zijn op het eigendomsvoorbehoud in de relatie VMF-OWB. Echter, andersom geldt dat VMF zelf evenzeer moest rekenen op het recht van Zodiac c.s. om de bunkerolie te verbruiken voor de voortstuwing van het schip waaraan was geleverd (de Forest Park), ook als Zodiac c.s. de door haar aan OWB verschuldigde koopprijs nog niet had voldaan. Het beding dat dit toestond is volgens de onweersproken stelling van Zodiac c.s. gebruikelijk in de branche; eenzelfde beding was nota bene opgenomen in de algemene verkoopvoorwaarden die VMF zelf gebruikte (hiervoor, 3.4). VMF heeft zich niet voorafgaande aan de aflevering aan Zodiac c.s. bekendgemaakt, laat staan Zodiac c.s. erop gewezen dat zij mogelijk haar eigendomsrecht op de door haar afgeleverde bunkerolie zou willen uitoefenen in weerwil van het recht van Zodiac c.s. om deze ten behoeve van de voortstuwing van de Forest Park te (blijven) verbruiken. Zodiac c.s. kon de bunkerolie bovendien – dit betwist VMF niet – op elk gewenst moment door betaling aan OWB c.q. ING in eigendom verkrijgen. Bij die stand van zaken moet VMF geacht worden met de rechtsuitoefening door Zodiac c.s. te hebben ingestemd, of althans haar recht om zich met een beroep op haar eigendomsrecht daartegen te verzetten, te hebben verwerkt. Zodiac c.s. heeft daarom niet onrechtmatig tegenover VMF gehandeld door de bunkerolie (verder) te verbruiken ten behoeve van de voortstuwing van de Forest Park.
6.5
Voor dit oordeel is in het onderhavige geval des te meer plaats gegeven de omstandigheid dat het hier om bunkerolie gaat die moest worden verbruikt ten behoeve van de voortstuwing van een zeeschip. Het mag praktisch onwerkbaar heten als een ‘fysieke’ afnemer van bunkerolie die tegenover haar contractuele leverancier gerechtigd is om de bunkerolie te verbruiken ten behoeve van de voortstuwing van haar zeeschip, op een onvoorspelbare tijd en plaats op haar zeereis – op welke tijd en plaats doorgaans niet aanstonds vervangende bunkerolie zal kunnen worden betrokken – zou kunnen worden geconfronteerd met een (gepretendeerd) eigendomsrecht van een eerdere leverancier die haar verder verbruik van de bunkerolie zou beletten. Dit moe(s)t natuurlijk ook (een eerdere leverancier als) VMF begrijpen, en daarom mocht Zodiac c.s. er des te meer op vertrouwen dat een eventuele eerdere leverancier, voor zover van toepassing, een dergelijk eigendomsrecht niet tegen haar zou c.q. kon inroepen.
de vordering van VMF op Zodiac c.s.: ongerechtvaardigde verrijking
6.6
Zodiac c.s. is door haar (voortgezet) verbruik van de bunkerolie evenmin verrijkt, laat staan ongerechtvaardigd verrijkt ten laste van VMF. Vast staat dat zij de volledige door haar aan OWB verschuldigde koopprijs aan ING moest voldoen en heeft voldaan. Het verwijt van VMF dat Zodiac c.s. haar niet op de hoogte heeft gesteld van (de arbitrageprocedure rondom) de aanspraak van ING op voldoening van de koopprijs doet niet ter zake. VMF stelt immers niet concreet, en onderbouwt in elk geval niet – tegenover de stelling van Zodiac c.s. dat zij de volledige koopprijs aan ING moest voldoen – dat en waarom bemoeienis harerzijds met die arbitrageprocedure of claim tot een andere uitkomst had kunnen leiden.
de tegenvordering van Zodiac c.s. op VMF: internationale bevoegdheid
6.7
VMF betwist vergeefs de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter om te oordelen over de vordering van Zodiac c.s. wegens het volgens deze onrechtmatig gelegde beslag. VMF stelt dat artikel 5 van het verdrag van Brussel tot het vaststellen van enige eenvormige regels betreffende het conservatoir beslag op zeeschepen van 10 mei 1952 (hierna: Beslagverdrag) hiervoor exclusieve internationale bevoegdheid schept voor de beslagrechter, c.q. de Marokkaanse rechter, maar deze opvatting vindt geen steun in het recht. In zijn arrest van 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1280, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de internationale bevoegdheid die artikel 5 van het Beslagverdrag voor het beslagforum schept voor vorderingen of verzoeken die door die bepaling worden bestreken, exclusief is, en ook dat de materiële reikwijdte van die bepaling zich uitstrekt tot niet alleen de daarin met zoveel woorden genoemde onderwerpen – de opheffing van beslag dan wel de genoegzaamheid van de borgtocht of de zekerheid –, maar ook tot vorderingen en verzoeken die daarmee nauw verband houden. Daartoe behoren, volgens de Hoge Raad, vorderingen of verzoeken tot vrijgave, vermindering, vermeerdering of andersoortige aanpassing van de vervangende zekerheidstelling. Naar het oordeel van het hof kunnen hiertoe niet gerekend worden (bodem)vorderingen die strekken tot schadevergoeding in verband met gestelde onrechtmatigheid van het beslag – zoals hier aan de orde. VMF heeft de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter niet op nog andere grond bestreden. Die bevoegdheid is er zonder meer op grond van artikel 4 lid 1 van de Europese Verordening 1215/2012 van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I bis), omdat VMF in Nederland is gevestigd.
de tegenvordering van Zodiac c.s. op VMF: toepasselijke recht
6.8
Zodiac c.s. heeft in reconventie gevorderd – kort gezegd – dat VMF wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding als gevolg van het in Marokko onrechtmatig gelegde beslag op de Forest Park. De vraag rijst welk recht op deze vordering van toepassing is.
6.9
De vordering valt onder het materiële toepassingsgebied van de Europese verordening 864/2007 van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (hierna: Rome II) omdat het gaat om een niet-contractuele verbintenis waarbij moet worden gekozen tussen de toepassing van de rechtsstelsels van verschillende landen (artikel 1 lid 1 Rome II). Uit artikel 28 lid 1 Rome II volgt evenwel dat die verordening onverlet laat de toepassing van een anterieur verdrag dat regels bevat inzake het toepasselijk recht op niet-contractuele verbintenissen en waarbij Nederland partij is. Het Beslagverdrag, daterend van vóór Rome II, bevat een dergelijke conflictregel.
6.10
Ingevolge artikel 8 lid 1 van het Beslagverdrag zijn de bepalingen van het Beslagverdrag toepasselijk op elk schip dat de vlag van een verdragsluitende staat voert. De Forest Park voert de Engelse vlag. Het Verenigd Koninkrijk is partij bij het Beslagverdrag, zodat dit verdrag van toepassing is.
6.11
Artikel 6 van het Beslagverdrag bepaalt dat alle geschillen met betrekking tot de aansprakelijkheid van de schuldeiser voor schade die door het beslag op het schip is veroorzaakt of voor kosten van het verschaffen van zekerheid teneinde het beslag op het schip op te heffen of te voorkomen, worden beheerst door de wet van de Verdragsluitende Staat, binnen welks rechtsgebied het beslag is gelegd of daartoe verlof is gevraagd. Onder ‘beslag’ verstaat het Beslagverdrag: “het aanhouden van een schip met verlof van de bevoegde autoriteiten ter verzekering van een zeerechtelijke vordering” (artikel 1 lid 2 Beslagverdrag). Onder een ‘zeerechtelijke vordering’ wordt onder meer verstaan een vordering voortvloeiend uit “leveranties aan een schip van goederen of materiaal ten behoeve van de exploitatie of het onderhoud van het schip, ongeacht de plaats van levering” (artikel 1 lid 1 onder k Beslagverdrag). Marokko, waar het beslag is gelegd, heeft het Beslagverdrag geratificeerd. De vordering waarvoor het beslag is gelegd – de betaling van de aan de Forest Park geleverde bunkerolie – is een zeerechtelijke vordering in de zin van het verdrag. Dit alles brengt mee dat ingevolge artikel 6 van het Beslagverdrag Marokkaans recht van toepassing is op de vordering van Zodiac c.s. tegen VMF.
de tegenvordering van Zodiac c.s. op VMF: onrechtmatige daad
6.12
Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen om zich bij akte (nader) uit te laten over de gestelde aansprakelijkheid, naar Marokkaans recht. Daarbij moet mogelijk – afhankelijk van de inhoud van het Marokkaanse recht op dit punt – niet alleen aan de orde komen de vraag of, naar dat recht, de omstandigheid dat de beslagrechter niet werd geïnformeerd over (de inhoud van) het bericht van NEPIA van 20 november 2014 het beslag reeds onrechtmatig maakte, maar ook, als dit het geval is, ter beoordeling van het causaal verband, of in het hypothetische geval dat verlof wél was gevraagd onder mededeling van (de inhoud van) het bericht van NEPIA, het verlof niet zou zijn verleend. Dan wel of, indien het verlof ook in dit (hypothetische) geval zou zijn verleend en het beslag zou zijn gelegd, de beslaglegging evengoed onrechtmatig zou zijn geweest in verband met de omstandigheid dat de vordering ondeugdelijk is gebleken.
6.13
Voor zover Zodiac c.s. hierover (nog) niet beschikt, dient VMF haar uiterlijk vier weken voorafgaand aan de hierna te noemen roldatum afschrift te verstrekken van alle (proces)stukken die zij destijds bij de beslagrechter heeft ingediend om het verlof tot beslaglegging te verkrijgen.
7. Beslissing
Het hof:
- -
verwijst de zaak naar de rolzitting van 28 februari 2023 voor het nemen van een akte door beide partijen over het hiervoor in 6.12 genoemde onderwerp; bij akte van 4 weken later mogen zij bij antwoordakte op elkaars aktes reageren;
- -
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Frieling, C.A. Joustra en W. van der Velde en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2023 in aanwezigheid van de griffier.