Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/8.3.3.4
8.3.3.4 Niet kwalificerende dochtermaatschappij
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS398314:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Door deze bepaling zijn er in de praktijk diverse structuren bedacht om alsnog onder de deelnemingsvrijstelling te kunnen vallen. Zie hierover bijvoorbeeld K. Broemel, §8b, Abs. 4 KStG und Participation Exemption Shopping – Anknüpfungspunkt der Steuergestaltung? IStR 17/2015, blz. 644.
Inhoudelijk is er overigens de nodige kritiek op het kunnen toepassen van de verrekeningsmethode. Zie bijvoorbeeld A. Schnitger, Generalthema II: Praktische Probleme bei der Vermeidung der Doppelbesteuerung von Unternehmensgewinnen, IStR 2011, blz. 653.
Indien niet aan de vanaf 28 februari 2013 geldende bezitseis is voldaan en een dochtermaatschappij keert dividend uit dan is de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing.1 De eventueel onderliggende winstbelasting van de dochtermaatschappij kan wel verrekend worden.2
Toepassing van de CFC-wetgeving leidt er toe dat bij laagbelaste buitenlandse passieve dochtermaatschappijen de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is ten aanzien van het fictief in aanmerking genomen inkomen van deze buitenlandse deelneming. Eventuele economisch dubbele belasting wordt dan voorkomen door middel van een verrekeningsmethode.