Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.7.8
4.7.8 Afscheiding en het beperkte recht
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS645027:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Spath, AA 2004/02, p. 99; Zie ook Snijders & Rank-Berenschot (2017), p. 213: “De vraag is nog wel wat het lot is van de beperkte rechten die eventueel rustten op het huis. Het komt mij voor dat deze niet rusten op de nieuwe afgescheiden zaken. De verkrijging is immers van originaire aard.”
Booms, NTBR 2015/44, p. 305.
Suijling V (1940), p. 241. Suijling spreekt overigens over splitsing, maar hij maakt geen onderscheid tussen splitsing en afscheiding. Zie ook: Hoofdstuk 3, §3.6.3. Of Booms net als Spath en Suijling stelt dat de afgescheiden zaken nieuwe zaken zijn, is niet geheel duidelijk, maar daar lijkt het op. Hij richt zich in ieder geval alleen op de vraag of het eigendomsrecht nieuw is en stelt dat dit niet het geval is.
HR 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2192 (Zalco/Glencore).
Zie Jansen, GrOM/2005, p. 69. In gelijke zin is de eerste stelling bij de proefschriftverdediging van J.E. Wichers in 2002 opgesteld. Deze stelling luidde: “De vraag naar de gevolgen van natrekking, vermenging en zaaksvorming voor de rechten op de oorspronkelijke zaken dient aan de hand van de aan deze rechtsfiguren ten grondslag liggende beginselen te worden opgelost en niet aan de hand van een leerstellig onderscheid tussen een originaire en derivatieve verkrijging. De kwalificatie van een verkrijging als een originaire verheldert weinig.”
Wat betreft de overdracht geldt blijkens art. 3:98 BW voor de beperkte rechten hetzelfde als voor het eigendomsrecht. Art. 3:98 BW: “Tenzij de wet anders bepaalt, vindt al hetgeen in deze afdeling omtrent de overdracht van een goed is bepaald, overeenkomstige toepassing op de vestiging, de overdracht en de afstand van een beperkt recht op een zodanig goed.”
Zie ook: Tweehuysen (2016), p. 204.
Dat een roerende zaak (niet-registergoed) onder een hypotheekrecht kan vallen is niet uitzonderlijk. Zie voor het Franse recht art. 524 Cc, (immeubles par destination) en het Duitse recht §1120 BGB (Zubehör). Zie daarover: Tweehuysen (2016), p. 242 e.v.; Schlimpert (2015), hfst. 5, III; Hoofdstuk 2, §2.3.1; Hoofdstuk 3, §3.3.3.
HR 6 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7474, m.nt. H.J. Snijders (Prorail/Rijswijk Wonen), r.o. 3.5.2.; Zie ook: Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019, p. 462.
Een punt dat nog niet is behandeld, is welke gevolgen de afscheiding heeft voor de beperkte rechten die rusten op de oorspronkelijke zaak. Ook hierover ontbreekt een algemeen wetsartikel. In de literatuur verschillen de meningen hierover. Zo stelt Spath dat het eigendomsrecht onbezwaard is.1 Volgens haar is de wettelijke grondslag voor de wijze van eigendomsverkrijging te vinden in art. 5:14 e.v. Zij ziet de afgescheiden zaak als een nieuwe zaak. Vandaar dat zij concludeert dat het eigendomsrecht op die zaak onbezwaard is, aangezien de regelingen over natrekking en vermenging stellen dat op nieuwe zaken nieuwe eigendomsrechten komen te rusten.
Booms gaat ervan uit dat bij de fysieke (en juridische) splitsing “het oorspronkelijke recht voortbestaat, alleen nu in twee (of meer) delen”. Hij verwijst niet naar een wettelijke grondslag voor de verkrijging van de eigendom door afscheiding, maar naar Suijling.2 Deze stelt dat na de afscheiding nieuwe zaken ontstaan, maar om “practische redenen verwerpt ons recht de voorstelling, dat de splitsing van een zaak rechten doet ondergaan en nieuwe oorspronkelijke rechten doet verkrijgen”.3 Kortom, het ene eigendomsrecht leeft voort in de verschillende delen, precies zoals dat ook in het Duitse recht geregeld is. Vandaar dat de beperkte rechten “gewoon” op deze delen blijven rusten. Welke visie verdient de voorkeur?
Allereerst rijst de vraag of het afgescheiden bestanddeel een nieuwe zaak is. Dat is zij naar mijn mening. Ook als de identiteit van een afgescheiden zaak niet veranderd is ten opzichte van de identiteit die zij tijdens de verbinding had. Door de afscheiding ontstaat een zaak die daarvóór niet bestond. Rust op deze nieuwe zaak een nieuw eigendomsrecht? Het antwoord op deze vraag is niet van belang. De rechtsgevolgen van de afscheiding verschillen niet wanneer op het afgescheiden deel een eigendomsrecht komt te rusten dat door rechtsdeling zijn oorsprong vindt in het eigendomsrecht van de oorspronkelijke zaak of wanneer een nieuw eigendomsrecht op het afgescheiden bestanddeel komt te rusten. Is sprake van rechtsdeling, dan deelt het oorspronkelijke eigendomsrecht zich op gelijk de fysieke deling. Het “afgescheiden” eigendomsrecht heeft dezelfde kenmerken als het “hoofdeigendomsrecht”. Is sprake van een nieuw (originair verkregen) eigendomsrecht, dan is dit rechtsgevolg niet anders. Dit nieuwe recht ontstaat door de afscheiding van rechtswege, net zoals de Hoge Raad in het Zalco-arrest bepaalde, dat het pandrecht op de vermengde aluminium van rechtswege was ontstaan.
Is dit nieuwe eigendomsrecht altijd onbezwaard? Nee, het nieuwe eigendomsrecht begint niet op “nul”. Wanneer een zaak wordt nagetrokken is dit evenmin het geval. Door de natrekking wordt het zakenrechtelijke geheugen van deze zaak niet (automatisch) gewist. Zo kunnen de verhoudingen van vóór de natrekking van belang zijn, bijvoorbeeld in het geval een huurder zijn zaak heeft verbonden aan het verhuurde pand. Hij is gerechtigd zijn toevoegingen af te scheiden en wordt na de afscheiding daarvan opnieuw eigenaar. Daarnaast stellen de artikelen over natrekking en vermenging (en zaaksvorming) dat, als sprake is van een nieuwe zaak (art. 5:14 lid 2), de oorspronkelijke eigenaren van de zaken een aandeel in een nieuw eigendomsrecht krijgen. De oorspronkelijke rechten gaan weliswaar teniet, maar ze worden in het aandeel gecontinueerd (materiële continuïteit). Deze gedachte staat centraal in het goederenrecht: een zakelijk recht dient niet gemakkelijk op te houden. Als de wet in bepaalde gevallen stelt dat zo’n recht tegen de wil van de rechthebbende niet langer kan blijven bestaan, dan zorgt zij voor compensatie. Als zakelijke rechten verloren gaan doordat door de verbinding een nieuwe zaak is ontstaan, dan zit de compensatie in de bepaling dat de oorspronkelijke eigenaren mede-eigenaar worden. Zo kan ook het eigendomsrecht op de nieuwe (afgescheiden) zaak worden gezien. Vandaar dat de zakelijke rechten op de hoofdzaak worden gecontinueerd op de afgescheiden zaak (materiële continuïteit). Deze nieuwe rechten op de zaak staan in dezelfde verhouding tot elkaar als de rechten die op de hoofdzaak rusten. Ondanks dat ze nieuw zijn, hebben ze dezelfde identiteit als het oorspronkelijke recht, gelijk er sprake zou zijn van rechtsdeling zoals het BGB in §953 aanneemt. Ook van rechtswege verkregen nieuwe (originaire) eigendomsrechten kunnen bezwaard zijn met een beperkt recht.4 Het is een misvatting dat de beperkte rechten alleen blijven bestaan na een derivatieve, dat wil zeggen afgeleide, wijze van eigendomsverkrijging.
“Het verschil tussen originaire en derivatieve wijzen van eigendomsverkrijging ligt, anders dan in de goederenrechtelijke handboeken wordt gesteld, niet in de vraag naar het al dan niet voortbestaan van beperkte rechten, maar in de vraag naar de eigendomsverkrijging.”5
De eigendomsverkrijging is zoals gezegd gebaseerd op de oorspronkelijke eigendom. Waarom zou voor de beperkte rechten niet hetzelfde gelden als voor het eigendomsrecht, uiteraard behoudens de wettelijke uitzonderingen?6 Onder deze uitzonderingen vallen eveneens de gevallen waarin het erkennen van een beperkt recht in strijd is met het wettelijke systeem. Op een afgescheiden zaak kan bijvoorbeeld geen hypotheekrecht rusten, aangezien een afgescheiden zaak een roerende zaak is niet zijnde een registergoed (art. 3:227 BW).7 Om de hypotheekhouder tegemoet te komen zou deze roerende zaak, zolang zij nog in het bezit is van de hypotheekgever, via een fictie onder het hypotheekrecht kunnen vallen. De fictie houdt dan in dat de zaak als een onroerende zaak beschouwd dient te worden.8 Niet valt immers in te zien dat door de enkele afscheiding een oorspronkelijk bestanddeel onder de sluier van het hypotheekrecht uit kan kruipen. Eenzelfde soort fictie is terug te vinden in de gevallen waarin een zaak tijdelijk is verbonden met een andere zaak. Deze verbinding leidt in beginsel niet tot bestanddeelvorming, waardoor de tijdelijk verbonden zaak een zelfstandige roerende zaak blijft.9 Omgekeerd leidt een tijdelijke afscheiding evenmin tot bestanddeelonttrekking. Een motor die bij de reparatie tijdelijk uit de auto is gehaald, blijft een bestanddeel van de auto.
Is een bestanddeel losgemaakt van de verhypothekeerde zaak, dan is het aan de hypotheekhouder om te bewijzen dat het geen afzonderlijke zaak is geworden en onder zijn hypotheekrecht valt. Pas als de zaak wordt verkocht en geleverd (anders dan een levering constituto possessorio) aan een buitenstaander te goeder trouw, valt bovengenoemde fictie weg. De regel van art. 3:86 BW is dan van toepassing.
Als de afgescheiden zaak niet langer onder het hypotheekrecht valt, staat de hypotheekhouder dan met lege handen? Niet per se. In bepaalde gevallen verkrijgt hij op grond van het zaaksvervangingsartikel 3:229 BW een wettelijk pandrecht op alle vorderingen tot vergoeding die in de plaats van het verbonden goed treden, waaronder begrepen vorderingen ter zake van waardevermindering van het goed.