Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/3.3.3.1.0
3.3.3.1.0 Inleiding
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS499123:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Het geschil spitst zich toe op de korting voor eigen aankopen. De vraag hoe moet worden omgegaan met de commissie in verband met door agenten voor derden ingekochte goederen blijft aldus onbeantwoord. In dat kader verwijs ik naar het hierna te bespreken Grattan-arrest.
Art. 79 onderdeel b Btw-richtlijn. Bedoelde bepaling vormt een toepassing van de in art. 11 A lid 1 onderdeel a Zesde richtlijn (art. 73 Btw-richtlijn) neergelegde hoofdregel dat btw wordt geheven over alles wat de leverancier als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen van de zijde van de koper. Zie in dat verband HvJ 27 maart 1990, nr. C-126/88, FED 1990/617 (Boots Company), r.o. 19.
Uit r.o. 23 volgt wat het verschil is tussen een prijskorting en een –rabat. Als een koper op het moment van de handeling een lagere prijs betaalt, dan is sprake van een korting. Als de verkoper daarentegen een deel van de reeds door de koper betaalde prijs terugbetaalt, dan is sprake van een prijsrabat. Dit laatste zou dan moeten leiden tot een teruggaaf van btw (zie ook de conclusie van A-G Van Hilten bij HR 15 januari 2010, BNB 2010/82). Kortingen en rabatten kunnen worden omschreven als verlagingen van de prijs waartegen een artikel normaliter aan de klant wordt aangeboden, waarbij de verkoper de derving van het bedrag van de korting aanvaard om de klant ertoe aan te zetten het product te kopen, aldus HvJ 27 maart 1990, nr. C-126/88, FED 1990/617 (Boots Company), r.o. 18.
R.o. 22-30.
Zie bijvoorbeeld HvJ 15 mei 2014, nr. C-337/13, V-N 2014/27.21 (Almos), r.o. 22 (paragraaf 3.3.1.1), HvJ 3 september 2014, nr. C-589/12, V-N 2014/50.17 (GMAC), r.o. 37 (paragraaf 3.3.2.2) en HvJ 2 juli 2015, nr. C-209/14, V-N 2015/34.21 (NLB Leasing), r.o. 35 (paragraaf 3.3.1.2).
Vgl. HvJ 27 oktober 1993, nr. C-281/91, V-N 1993/4006, 27 (Muys en De Winter), waarin het HvJ benadrukt dat uit art. 10 lid 2 Zesde richtlijn (art. 63 Btw-richtlijn) volgt dat de maatstaf van heffing op het tijdstip van levering (of dienst) moet worden bepaald (r.o. 16). Een uitzondering hierop bestaat mijns inziens als vooruitbetalingen worden gedaan, in welk geval de maatstaf van heffing al eerder moet worden vastgesteld. Dit maakt dat een prijsvermindering die wordt verleend nádat een vooruitbetaling is gedaan, maar vóórdat de prestatie plaatsvindt, onder toepassing van art. 11 A lid 3 onderdeel b Zesde richtlijn (art. 79 onderdeel b Btw-richtlijn) valt. Het lijkt mij dat indien en voor zover al btw is geheven, deze verlaging zou moeten resulteren in een teruggaaf.
Het aanwezig zijn van een ‘handeling’ is voor beide bepalingen wel een voorwaarde. Zie in dit verband HvJ 16 januari 2014, nr. C-300/12, V-N 2014/9.15 (Ibero Tours).
Freemans is een postorderbedrijf. Zij maakte gebruik van catalogi die zij toestuurde aan particulieren die als haar agent optraden. Deze agenten konden goederen voor zichzelf afnemen, maar konden deze ook voor anderen bestellen. Voor de bestelde goederen werd de in de catalogus vermelde prijs betaald. Doorgaans gebeurde dit in termijnen. Voor de agenten nam Freemans een afzonderlijke crediteurenrekening op. Daarop werd per betaling door de agent aan Freemans steeds automatisch een bedrag gelijk aan 10% van elke betaling bijgeschreven. De agenten mochten niet meteen enkel de catalogusprijs minus de korting voor eigen aankopen betalen: als een agent een termijn niet betaalde, dan werden de kortingen niet uitbetaald, totdat de rekening werd aangezuiverd. Het bedrag van 10% werd beschouwd als een korting van 10% voor eigen aankopen dan wel een commissie van 10% voor de aan anderen verrichte aankopen. Het op de rekening van de agent gecrediteerde bedrag kon te allen tijde worden opgenomen, bijvoorbeeld in de vorm van een cheque, in de vorm van loten van de nationale loterij, een aanzuivering van een negatief saldo of een betaling voor een nieuwe aankoop. Deze nieuwe aankopen gaven de agent dan opnieuw recht op een korting van 10%. Een aanzienlijk deel van de kortingen werd niet door de agenten opgeëist.
Volgens een bepaalde accountancy-methode voor detaillisten mocht Freemans de korting, die werd verleend aan de agenten voor eigen aankopen, onmiddellijk in mindering brengen op de brutodagontvangsten. Deze methode werd op een gegeven moment niet langer toegestaan. In plaats daarvan moesten de brutodagontvangsten worden berekend zonder daarop de korting in mindering te brengen, tenzij deze door de agent in contanten werd opgenomen of werd verrekend met de aankoopprijs van de goederen. Freemans gaf aan deze verplichting echter geen gehoor en bleef de korting in mindering brengen op de catalogusprijzen. Zij was namelijk van oordeel dat de maatstaf van heffing voor de goederen, die aan een agent voor eigen gebruik werden geleverd, de met de korting verlaagde catalogusprijs was. De belastingdienst stelde zich op het standpunt dat met de korting geen rekening gehouden mocht worden. Deze onenigheid mondde uit in een rechtszaak. De rechter besloot daarop de hulp van het HvJ in te roepen en vroeg hoe de maatstaf van heffing moest worden vastgesteld. De vraag was of Freemans bij het berekenen van de verschuldigde btw terstond met de korting voor eigen aankopen1 rekening mocht houden of dat de maatstaf van heffing pas achteraf (bijvoorbeeld bij het opnemen van de korting) mocht worden verlaagd.
Het HvJ overweegt als volgt. Omdat de agenten op het moment van de handeling (zijnde het tijdstip waarop de macht om over een gekocht goed te beschikken overgaat) de volledige catalogusprijs in termijnen moesten betalen, kan bij het bepalen van de maatstaf van heffing volgens het HvJ niet terstond met de crediteringen rekening worden gehouden. Dit betekent dat art. 11 A lid 3 onderdeel b2 – dat behelst dat prijskortingen en –rabatten3 die aan een afnemer worden toegekend, en die zijn verkregen op het moment waarop de handeling wordt verricht, niet in de maatstaf van heffing dienen te worden begrepen – geen toepassing vindt. Het HvJ onderbouwt dit door te overwegen dat wanneer deze bepaling wel van toepassing zou zijn, dit een inbreuk zou opleveren met het neutraliteitsbeginsel. Immers: als Freemans van meet af aan btw zou berekenen over de catalogusprijs minus het te crediteren bedrag en agenten de gecrediteerde bedragen niet zouden opnemen, dan zou Freemans een hoger bedrag verkrijgen dan het bedrag waarover btw zou zijn berekend.4 Aldus geldt dat het voor onmiddellijke vermindering van de maatstaf niet volstaat dat de agent op het tijdstip van de koop een korting verkrijgt waarop juridische aanspraak bestaat. Er mag enkel rekening worden gehouden met de creditering als deze op het moment van de handeling daadwerkelijk wordt genoten.
Vervolgens gaat het HvJ in op de toepassing van art. 11 C lid 1 Zesde richtlijn (art. 90 lid 1 Btw-richtlijn):
“31. Tot slot moet worden vastgesteld dat artikel 11 C, lid 1, van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat in het kader van een systeem van verkoopbevordering als bedoeld in het hoofdgeding de door de volledige catalogusprijs gevormde maatstaf van heffing moet worden verlaagd, zodra de agent het op zijn afzonderlijke rekening gecrediteerde bedrag opneemt of op een andere wijze gebruikt.”
Dus in plaats van terstond rekening te houden met het gecrediteerde bedrag, is er achteraf wel plaats voor het naar beneden bijstellen van de maatstaf van heffing wanneer het gecrediteerde bedrag wordt opgenomen of gebruikt. Anders dan bijvoorbeeld de Commissie betoogde, is het hiervoor volgens het HvJ niet nodig dat hieraan een contractuele wijziging is voorafgegaan. Art. 11 C lid 1 Zesde richtlijn is ook van toepassing op situaties waarin de contractuele relatie van meet af aan in een korting voorziet. Dat de maatstaf pas kan worden aangepast zodra de korting daadwerkelijk wordt genoten, volgt uit de verwerping van het standpunt van Freemans dat vermindering al aan de orde zou moeten zijn op het moment dat de rekening van de agent wordt gecrediteerd. Het HvJ overweegt:
“35. Op het tijdstip waarop Freemans de in haar boekhouding voor een agent opgenomen rekening met het betrokken bedrag crediteert, heeft zij de korting eigen aankopen echter nog niet werkelijk aan die agent uitbetaald. Maakt de agent immers geen gebruik van dat bedrag, dan beschikt Freemans erover door het aan haar winst- en verliesrekening toe te voegen. Pas wanneer de klant de korting eigen aankopen gebruikt wordt deze effectief betaald, zodat de maatstaf van heffing voor de betrokken aankoop overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 C, lid 1, van de Zesde richtlijn dienovereenkomstig moet worden verlaagd onder de voorwaarden die door de lidstaten worden vastgesteld.”
Deze overweging is in overeenstemming met de eerdere overweging over het neutraliteitsbeginsel. Hiermee maakt het HvJ voor de bepalingen rondom de maatstaf van heffing een koppeling met hetgeen feitelijk als tegenprestatie wordt ontvangen. Dit is consequent, ook in het licht van de rechtspraak rondom de ongedaanmaking van de handeling en de niet-betaling, waarin het HvJ overweegt dat de maatstaf van heffing gelijk staat aan de werkelijk door de leverancier ontvangen tegenprestatie en dat de Belastingdienst uit hoofde van de btw niet méér mag ontvangen dan de leverancier daadwerkelijk heeft geïnd.5
Uit het voorgaande volgt dat van een prijskorting en een –rabat, zoals bedoeld in art. 11 A lid 3 onderdeel b Zesde richtlijn (art. 79 onderdeel b Btw-richtlijn), en een prijsvermindering (waaronder kennelijk zowel de prijskorting als het –rabat moet worden verstaan), zoals bedoeld in art. 11 C lid 1 Zesde richtlijn (art. 90 lid 1 Btw-richtlijn), pas sprake is als de korting daadwerkelijk door de leveranciers is uitbetaald c.q. door de afnemer is ontvangen. Het enkele recht op een korting (ook al is dit recht vooraf contractueel vastgelegd) of administratieve creditering is onvoldoende om bij de bepaling van de maatstaf van heffing terstond of achteraf met de korting rekening te houden. Ten aanzien van de vraag welke bepaling (art. 11 A lid 3 onderdeel b Zesde richtlijn of art. 11 C lid 1 Zesde richtlijn) van toepassing is, is het tijdstip waarop de handeling wordt verricht bepalend.6 Is de korting daadwerkelijk genoten op het moment waarop de handeling wordt verricht, dan is art. 11 A lid 3 onderdeel b Zesde richtlijn (art. 79 onderdeel b Btw-richtlijn) van toepassing. Art. 11 C lid 1 Zesde richtlijn (art. 90 lid 1 Btw-richtlijn) is pas aan de orde als de korting wordt genoten nadat de handeling is verricht. Dit laatste was in het onderhavige geval aan de orde.7