Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/7.3.4
7.3.4 Juridische splitsing en fusie
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS450605:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Zo waren T. Blokland en J.E.A.M. van Dijck onder de oude aanmerkelijkbelangregeling van mening dat een juridische fusie als een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling moest worden aangemerkt, T. Blokland, Winst uit aanmerkelijk belang. Fiscale monografie nr. 19, blz. 117-118, Kluwer. Deventer, 1994; J.E.A.M. van Dijck, De aanmerkelijk-belangregeling. Fed fiscale brochures, blz. 97, Fed, Deventer, 1995. H. Mobach/L.W. Sillevis daarentegen waren van mening dat een juridische fusie geen vervreemding inhield onder de oude aanmerkelijkbelangregeling, zodat de aanmerkelijkbelangclaim op de vervallen aandelen verloren ging, H. Mobach/L.W. Sillevis, Cursus belastingrecht (Inkomstenbelasting), onderdeel 2.4.1 l.C, Gouda Quint, Deventer. Zie over de juridische fusie uitgebreider R.J. de Vries, Juridische fusie, Fiscale monografie nr. 84, Kluwer, Deventer, 1998.
Zie tevens de memorie van toelichting. Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 48.
Resolutie staatssecretaris van Financiën d.d. 8 juli 1998, nr. DB98/1507M, BNB 1998/296.
T.A. Gladpootjes merkt nog op dat de toevoeging bij tweede nota van wijziging niet volmaakt is, aangezien is verzuimd de situatie te noemen waarin de belastingplichtige geen aandeel- of winstbewijshouder was in de vennootschap doch enkel schuldeiser, T.A. Gladpootjes, Het nieuwe aan-merkelijk-belangregime. Fiscaal Actueel, blz. 56-57, Kluwer, Deventer, 1997. Bij de herformulering van art. 20a, zesde lid, onderdeel d, Wet IB als gevolg van de invoering van de regeling inzake juridische splitsing (zie hierna) is deze omissie in art. 20a, zesde lid, onderdeel d. Wet IB niet meegenomen. H. Mobach/L.W. Sillevis merken op dat duidelijk is dat dit wel de bedoeling is van de wetgever, H. Mobach/L.W. Sillevis, Cursus Belastingrecht (Inkomstenbelasting), onderdeel 2.2A.6.F, Gouda Quint, Deventer.
Onder het tot 1 januari 1997 geldende regime bestond geen volstrekte duidelijkheid over de vraag of een juridische fusie ex art. 2:309 BW kon worden aangemerkt als een vervreemding in de zin van art. 39, eerste lid, (oud) Wet IB van de 'oude' aandelen in of winstbewijzen van de vennootschap die van rechtswege ophoudt te bestaan.1 Blijkens zijn resolutie van 1 augustus 1994, nr. DB94/2109M, BNB 1994/285 was de staatssecretaris van Financiën kennelijk van mening dat dit het geval was.2 Aan deze visie kon worden getwijfeld, nu de belastingplichtige blijkens art. 2:311, tweede lid, BW van rechtswege aandeelhouder of winstbewijshouder in de verkrijgende vennootschap wordt. In de definitie van het vervreemdingsbegrip van de Hoge Raad kon aldus moeilijk worden volgehouden dat sprake was van een rechtshandeling van de belastingplichtige waardoor rechten vanuit zijn vermogen overgingen in het vermogen van een ander. Als twee vennootschappen besloten juridisch te fuseren, waren de aandeelhouders en winstbewijshouders in deze vennootschappen verder volstrekt lijdelijk. In de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling wordt aan alle onduidelijkheid een einde gemaakt, doordat art. 20a, zesde lid, onderdeel d, Wet IB per 1 januari 1997 het van rechtswege worden van aandeelhouder of winstbewijshouder in een andere, verkrijgende vennootschap als een vervreemding van de aandelen in of winstbewijzen van de verdwijnende vennootschap wordt beschouwd. De mogelijkheid om de aanmerkelijkbelangclaim door te schuiven naar de nieuwe aandelen of winstbewijzen is sedert 24 juni 1998 geregeld in art. 68aa Wet IB en de op basis van deze bepaling gestelde (stan-daardjvoorwaarden.3 Bij tweede nota van wijziging is aan de bepaling van art. 20a, zesde lid, onderdeel d, Wet IB het van rechtswege worden van schuldeiser van de verkrijgende vennootschap toegevoegd. Door deze toevoeging wordt het in het kader van een juridische fusie van rechtswege schuldeiser worden van de verkrijgende vennootschap op dezelfde wijze behandeld als het van rechtswege worden van aandeelhouder of winstbewijshouder in de verkrijgende vennootschap.4
Met ingang van 1 februari 1998 is behalve een juridische fusie tevens een juridische splitsing civielrechtelijk mogelijk; tot deze datum voorzag het civiele recht niet in een dergelijke splitsing. Hiertoe is aan boek 2 van het Burgerlijk Wetboek afdeling 4 en afdeling 5 (de artikelen 2:334a-334ii BW) toegevoegd. Voor zover op deze plaats relevant is met ingang van deze datum tevens de juridische splitsing aan art. 20a, zesde lid, onderdeel d, Wet IB toegevoegd. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om art. 20a, zesde lid, onderdeel d, Wet IB in meer algemene termen te herformuleren. De specifiek op de juridische fusie toegesneden bepaling van art. 20a, zesde lid, onderdeel d, Wet IB is met ingang van 1 februari 1998 dan ook ruimer opgesteld, zodat ook de juridische splitsing eronder kan worden begrepen. Met ingang van genoemde datum wordt het van rechtswege worden van aandeelhouder of houder van winstbewijzen in of schuldeiser van een andere vennootschap, ingeval vermogen van de vennootschap waarin de belastingplichtige aandeelhouder is of waarvan hij houder van winstbewijzen is, onder algemene titel overgaat op een andere vennootschap, als een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling beschouwd. Tot genoemde datum had art. 20a, zesde lid onderdeel d, Wet IB het nog uitdrukkelijk over een vennootschap die ophield te bestaan. Hieronder kon wel de zuivere splitsing van art. 2:334a, tweede lid, BW worden begrepen doch niet de afsplitsing van art. 2:334a, derde lid, BW. Kenmerkend voor de afsplitsing van art. 2:334a, derde lid, BW is immers dat de (a^fsplitsende vennootschap blijft voortbestaan, zij het met een geringer vermogen dan voorheen. Daarom diende in art. 20a, zesde lid, onderdeel d, Wet IB de zinsnede dat de vennootschap ophield te bestaan, te vervallen.