De reikwijdte van medezeggenschap
Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/7.2:7.2 Kapitaalvennootschappen
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/7.2
7.2 Kapitaalvennootschappen
Documentgegevens:
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS386116:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Door aan te sluiten bij het begrip onderneming – de arbeidsorganisatie – is de WOR rechtsvormonafhankelijk. Voor de toepasselijkheid van de wet is niet van belang of de ondernemer zijn onderneming in de rechtsvorm van een eenmanszaak of een beursgenoteerde NV drijft. De zeggenschapsstructuur is echter in beide rechtsvormen volstrekt anders. Bij een eenmanszaak is er één natuurlijke persoon die als ondernemer wordt aangemerkt, terwijl bij kapitaalvennootschappen de rechtspersoon de onderneming in stand houdt. De besluiten worden in het laatste geval door de organen van de rechtspersoon genomen. Het gaat daarbij niet alleen om besluiten in de onderneming, waarop de WOR ziet, maar ook om vennootschapsrechtelijke besluiten, zoals statutenwijziging, ontbinding, benoeming, ontslag en beloning van bestuurders en winstbestemming. Deze besluiten vallen strikt genomen niet onder de reikwijdte van art. 25 WOR, maar kunnen wel aanzienlijke gevolgen hebben voor de onderneming waaraan de or is verbonden. Zo kunnen door een statutenwijziging of omzetting de bevoegdheden van de or veranderen, en zal een ontbinding van de vennootschap in veel gevallen leiden tot het einde van de onderneming.
Het gaat bovendien om besluiten die in het algemeen door de AV(A) worden genomen, terwijl de WOR als uitgangspunt neemt dat de verplichtingen uit de WOR worden nageleefd door de bestuurder in de zin van de WOR. Gaat het adviesrecht van de or zo ver dat hieronder ook besluiten van de aandeelhoudersvergadering vallen? Er is een spanning tussen het (ultieme) recht van aandeelhouders om de vennootschap naar eigen wens in te richten en over het voortbestaan daarvan te besluiten enerzijds, en het recht van werknemers op medezeggenschap anderzijds.
Tijdens de parlementaire behandeling van de WOR 1998, heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat het vennootschapsrecht (en insolventierecht) en het medezeggenschapsrecht voor werknemers strikt gescheiden zijn. Het betrof een debat over de vraag of de or een adviesrecht over de winstbestemming zou moeten krijgen. Een dergelijk strikte benadering zou betekenen dat er geen adviesrecht is van de or over besluiten die de vennootschap betreffen. De Ondernemingskamer heeft echter in haar jurisprudentie een ‘kunstgreep’ bedacht die de or toch een adviesrecht geeft in geval van een besluit dat de vennootschappelijke organisatie betreft. In de Intergas-beschikking overwoog de Ondernemingskamer dat een scheiding tussen het medezeggenschapsrecht en vennootschapsrecht als kunstmatig moet worden beschouwd. Indien een besluit van een orgaan van de vennootschap rechtstreeks doorwerkt in de onderneming, de arbeidsorganisatie, dan is een dergelijk besluit – in de Intergas-zaak ging het om een statutenwijziging – adviesplichtig.
Deze pragmatische benadering van de Ondernemingskamer doet recht aan het belang van medezeggenschap, maar past daarmee nog niet in het systeem van de WOR. Zo is onduidelijk wie in een dergelijk geval advies moet vragen. Is dat het bestuur (van de onderneming) of het orgaan dat het besluit (voor)neemt, in veel gevallen de AV(A)? Ondanks dat art. 25 WOR niet uitsluit dat het advies moet worden gevraagd door de AV(A) – het adviesrecht rust immers op de ondernemer en gesteld kan worden dat bij besluiten die de vennootschap betreffen de AV(A) de ondernemer (BV) vertegenwoordigt – past een adviesrecht voor de or ten aanzien van aandeelhoudersbesluiten slecht in het systeem van de WOR. Zo is het op de overlegvergadering de bestuurder die namens de ondernemer het woord voert. Bovendien zijn de voorzieningen die de Ondernemingskamer kan opleggen op grond van art. 26 lid 5 WOR niet passend in het geval van een AV(A)-besluit. Het bestuur kan immers niet bewerkstelligen dat een besluit tot statutenwijziging wordt ingetrokken: daarvoor is een nieuw besluit van de AV(A) nodig. Of kan een voorziening ex art. 26 lid 5 WOR inhouden dat de AV(A) een nieuw besluit moet nemen, hetgeen er op neerkomt dat de meerderheid van de aandeelhouders op een bepaalde manier moet stemmen? Naar mijn mening niet. Dit kan bijvoorbeeld wel in een enquêteprocedure, maar in dat geval moet sprake zijn van wanbeleid, hetgeen een zwaardere toets is dan die van art. 26 WOR. Bovendien is in het enquêterecht expliciet opgenomen welke voorzieningen jegens de AV(A) mogelijk zijn, althans in ieder geval voor de definitieve voorzieningen. Een ander relevant verschil met de enquêteprocedure is dat aandeelhouders zich in de laatste procedure kunnen voegen en zelfstandig voorzieningen kunnen vorderen. Ik concludeer daarom dat de voorzieningen van art. 26 WOR geen werking kunnen hebben jegens de aandeelhoudersvergadering. Omdat de besluiten niet kunnen worden aangetast door een voorziening van de Ondernemingskamer, mist het adviesrecht ten aanzien van vennootschapsrechtelijke besluiten zijn werking.
Naast het algemene adviesrecht, heeft de or een aantal specifieke bevoegdheden die zien op de vennootschapsrechtelijke besluitvorming, zowel in de WOR als in het vennootschapsrecht. Zo heeft de or van een rechtspersoon ex art. 31a lid 2 WOR een informatierecht ten aanzien van de jaarrekening. Daarnaast bepaalt art. 31d WOR dat de or recht heeft op inzicht in de (hoogte van de) beloning van het bestuur en het toezichthoudende orgaan van de rechtspersoon. Beide artikelen zijn, in afwijking van de rest van de WOR, rechtsvormafhankelijk en hebben betrekking op besluiten die de rechtspersoon en niet de onderneming aangaan. Art. 30 WOR heeft een enigszins andere positie dan de informatierechten hierboven, nu deze bevoegdheid uitdrukkelijk ziet op de bestuurder in de onderneming, maar in veel gevallen is de bestuurder van de onderneming tevens bestuurder van de rechtspersoon. Ook bij deze bevoegdheden spelen de hierboven weergegeven problemen bij de systematiek van de WOR en aandeelhoudersbesluiten. Omdat het slechts om informatierechten en een adviesrecht zonder beroep gaat, spelen deze problemen in de praktijk minder.
Andere medezeggenschapsbevoegdheden ten aanzien van de vennootschapsrechtelijke besluitvorming zijn te vinden in Boek 2 BW. De rol van de or ten aanzien van besluiten die de vennootschap betreffen, is tweesporig: op basis van de WOR en op basis van Boek 2 BW. De vennootschapsrechtelijke medezeggenschap is in de jaren 70 ontstaan. De achtergrond is dat werknemers als belangrijke stakeholder invloed moeten kunnen uitoefenen op de samenstelling van de organen van de vennootschap. Hiermee wordt inbreuk gemaakt op de bevoegdheden van aandeelhouders. Door de invoering van vennootschapsrechtelijke medezeggenschap, hebben werknemers – naast de verankering van hun belang in het vennootschappelijk belang – ook formele bevoegdheden. Zo heeft de or van een grote (structuur) vennootschap het recht commissarissen aan te bevelen, en wordt de or van een NV in de gelegenheid gesteld zijn standpunt aan de AV(A) kenbaar te maken over benoeming en ontslag van bestuurders en commissarissen, beloning van bestuurders en belangrijke besluiten.
De werknemers hebben via het enquêterecht de mogelijkheid de besluitvorming in de vennootschap aan de orde te stellen bij de Ondernemingskamer, indien zij van mening zijn dat sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan juist beleid. Deze bevoegdheden van werknemers sluiten nauw aan bij de wijze waarop de zeggenschap is vormgegeven. Met andere woorden: ‘het beginsel ‘medezeggenschap volgt zeggenschap’ komt bij de medezeggenschap op grond van de WOR onder druk te staan, maar niet bij de vennootschapsrechtelijke medezeggenschap. Zo creëert het spreekrecht een dialoog tussen or en AV(A), het orgaan dat ook bevoegd is de desbetreffende besluiten te nemen.
Vennootschapsrechtelijke medezeggenschap sluit dus goed aan bij de zeggenschapsverhoudingen in de (kapitaal)vennootschap, maar ook hier doet zich een spanning met de rechten van aandeelhouders voor. Iedere invloed van werknemers betekent een beperking van de aandeelhoudersbevoegdheid. De medezeggenschapsregeling uit de structuurregeling beperkt bijvoorbeeld het recht van aandeelhouders om de leden van de RVC te benoemen. In de jaren ’70 was de gedachte dat de factor arbeid en de factor kapitaal gelijke bevoegdheden moesten hebben ten aanzien van de samenstelling van de RVC. Ook in het enquêterecht is de gelijkheid tussen arbeid en kapitaal terug te vinden, nu zowel de factor kapitaal (aandeelhouders) als de factor arbeid (vakbonden) het recht hebben het beleid en de gang van zaken van de vennootschap bij de Ondernemingskamer aan de orde te stellen.
In 2004 is de gelijkheid echter uit de structuurregeling verdwenen. Dit had als doel de positie van aandeelhouders in de vennootschap verder te versterken. Weliswaar is de positie van de or er bij de wijziging in 2004 niet op achteruit gegaan, maar door de aanzienlijke versterking van de positie van aandeelhouders is de gelijkwaardigheid tussen beide partijen verdwenen. Zes jaar geleden werd de positie van werknemers door de invoering van de spreekrechten ten opzichte van de aandeelhoudersvergadering weer versterkt. Ook is een toenemende rol van de or in het enquêterecht waar te nemen, waardoor in de praktijk herstel van het evenwicht tussen aandeelhouders en werknemers plaatsvindt.
Zo nu en dan laait een discussie op over de vraag of de medezeggenschapsregeling in Boek 2 BW niet moet worden afgeschaft, zodat alle medezeggenschap van de or in de WOR geregeld is. Mijns inziens staat het bestaansrecht van vennootschapsrechtelijke medezeggenschap niet ter discussie. Hierboven concludeerde ik al dat vennootschapsrechtelijke medezeggenschap systematisch veel beter bij de vennootschapsrechtelijke besluitvorming aansluit dan het adviesrecht van art. 25 WOR. Daar komt bij dat deze vorm van medezeggenschap een belangrijk onderdeel is van het (stakeholder)systeem zelf. Het belang van werknemers is verankerd in het vennootschappelijk belang dat bestuur en RVC bij de besluitvorming in acht moeten nemen. Daarnaast hebben de werknemers specifieke bevoegdheden die hun positie – als belangrijke stakeholder – versterken. Die medezeggenschapsbevoegdheden garanderen dat het belang van werknemers daadwerkelijk wordt meegenomen in de besluitvorming. De WOR en de vennootschapsrechtelijke medezeggenschap zijn communicerende vaten. Bovendien vraag ik mij af of het afschaffen van de vennootschapsrechtelijke medezeggenschap door de wetgever mogelijk is gezien art. 19 GW dat werknemers beschermt tegen intrekking van medezeggenschap.
Eerder lijkt een uitbreiding van de vennootschapsrechtelijke medezeggenschapsbevoegdheden voor de hand te liggen, nu deze – zoals gezegd – goed aansluiten bij de zeggenschapsstructuur. Ik heb voorgesteld de spreekrechten van de or uit te breiden naar andere besluiten van de aandeelhoudersvergadering, zoals statutenwijziging, ontbinding, winstbestemming en vaststelling van de jaarrekening. Van belang daarbij is wel dat schending van het spreekrecht wordt gesanctioneerd met vernietigbaarheid, zoals ook het geval is bij schending van het spreekrecht van art. 2:161a/271a BW. Ook uitbreiding van de spreekrechten naar de BV is wenselijk, aangezien er in dezen geen enkele reden is onderscheid te maken tussen de BV en de NV.
Verder heb ik een wettelijk enquêterecht voor de or – naast dat van de vakbonden – bepleit. Een combinatie van een spreekrecht aan de voorkant van de besluitvorming en een mogelijkheid om het beleid repressief te laten toetsen indien er gegronde redenen zijn voor twijfel, vormt een sluitend systeem van medezeggenschap. Deze bevoegdheden doen recht aan de zeggenschapsverhoudingen bij kapitaalvennootschappen, zonder dat zij al te veel inbreuk maken op de bevoegdheden van aandeelhouders. Het spreekrecht is immers slechts gericht op overleg en het enquêterecht kan alleen worden gebruikt indien er sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan het beleid. Wanneer de or via Boek 2 BW voldoende mogelijkheden heeft invloed uit te oefenen op de besluiten van de aandeelhoudersvergadering, zijn ‘kunstgrepen’ van de Ondernemingskamer niet meer nodig.
Naast de invloed via het adviesrecht van de WOR en de vennootschapsrechtelijke medezeggenschap op grond van Boek 2 BW, staat de werknemersvertegenwoordigers een aantal andere procedures ter beschikking die hen invloed kunnen verschaffen op de vennootschapsrechtelijke besluitvorming. Het gaat daarbij om procedures die niet specifiek voor werknemersvertegenwoordigers zijn geschreven, maar door alle belanghebbenden kunnen worden gevoerd. Zo kan de or gebruikmaken van de procedure ex art. 2:14-2:16 BW om een besluit van een orgaan van de rechtspersoon te vernietigen, en is hij – onder omstandigheden – een belanghebbende in een jaarrekeningprocedure. Hierboven merkte ik al op dat de or – ondanks dat een wettelijke bevoegdheid daartoe ontbreekt – het enquêterecht kan gebruiken door zich bijvoorbeeld te voegen als belanghebbende ex art. 282 RV, of met het bestuur kan overeenkomen dat de enquêtebevoegdheid hem toekomt. Ook kan worden gewezen op de mogelijkheid voor werknemers een aandeel in de (naamloze) vennootschap te nemen. Op deze manier ontstaat het recht om het woord te voeren over alle besluiten die tot de competentie van AV(A) behoren. Dit is vergelijkbaar met het spreekrecht en heeft als bijkomende voordelen dat het ziet op alle besluiten van de AV(A) en dat aan het hebben van een aandeel ook het stemrecht verbonden is.