Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/5.6.1
5.6.1 Het spreekrecht van de ondernemingsraad
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS485007:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 30 juni 2010, Stb. 2010, 250.
In het coalitieakkoord dat CDA, PvdA en ChristenUnie begin februari 2007 sloten, kwamen zij met betrekking tot het te voeren inkomensbeleid overeen dat de ondernemingsraad bij beursgenoteerde vennootschappen het recht zou krijgen een advies aan de algemene vergadering van aandeelhouders uit te brengen met betrekking tot het door de raad van commissarissen voorgestelde beloningsbeleid voor topbestuurders. Het in december 2007 ter consultatie openbaar gemaakte voorontwerp betrof overeenkomstig het akkoord een standpuntbepaling met betrekking tot het bezoldigingsbeleid. In zijn in op 15 februari 2008 uitgebrachte advies ‘Evenwichtig Ondernemingsbestuur’ (advies 08/01) bepleitte de SER een recht tot het bepalen van een standpunt met betrekking tot een groter aantal besluiten. Dit advies is in het definitieve wetsontwerp (Kamerstukken II 2008-2009, 31 877, nr. 2) overgenomen.
Kamerstukken II 2009-2010, 31 877, nr. 5, p. 7.
Die mogelijkheid bestaat ook indien tevoren géén standpunt kenbaar is gemaakt (Kamerstukken I 2009-2010, 31 877 C, p. 4).
De kosten van de verwerving van het aandeel komen op grond van art. 22 lid 1 WOR wellicht voor vergoeding in aanmerking.
Sinds 1 oktober 2004 (Wet van 9 juli 2004, Stb. 2004, 370) bepaalt art. 2:135 lid 1 BW dat de vennootschap een bezoldigingsbeleid heeft dat door algemene vergadering van aandeelhouders wordt vastgesteld. Met deze bepaling werd, ingegeven door de discussie over de hoogte van beloningen van bestuurders, de invloed van de algemene vergadering van aandeelhouders daarop uitgebreid.
Zo lezen we op pagina 26 van het Coalitieakkoord uit februari 2007: ‘Het naleven van de zogenoemde code Tabaksblat door topbestuurders zal nauwlettend worden gevolgd. De ondernemingsraad krijgt (bij beursgenoteerde vennootschappen) een adviesrecht aan de vergadering van aandeelhouders op het voorstel van de Raad van Commissarissen voor het beloningsbeleid van topbestuurders.’.
Kamerstukken I 20092010, 31 877, C, p. 2.
Kamerstukken II 2009-2010, 31 877, nr. 5 p. 6.
Zie onder andere Kamerstukken II 2008-2009, 31 877, nr. 3, p. 2-4, Kamerstukken II 2009-2010, 31 877, nr. 5 p. 1-2, 5-6 en 13, en Kamerstukken I 20092010, 31 877, C, p. 2.
In de Memorie van Toelichting wordt deze bepaling aldus onderbouwd dat het spreekrecht met het opnemen van sancties zou kunnen verworden tot een adviesrecht waarmee de besluitvorming binnen de vennootschap geblokkeerd zou kunnen worden. Bovendien zou het opleggen van sancties niet bevorderlijk zijn voor het vestigingsklimaat in Nederland (Kamerstukken II 2008-2009, 31 877, nr. 3, p. 4). Zou het belang van de door de ondernemingsraad vertegenwoordigde werknemers voorop hebben gestaan bij invoering van het spreekrecht, dan had de regeling wellicht een verplichtender karakter gehad, en had minder voor de hand gelegen te bepalen dat de besluitvorming onaangetast zou zijn indien de ondernemingsraad niet in de gelegenheid zou zijn gesteld een standpunt kenbaar te maken.
Nowak 2009, p. 264-265.
Holtzer 2010, p. 555-556.
Van Ommeren/Kemperink 2010, p. 27-28.
Holtzer ziet weinig omstandigheden op grond waarvan een vordering tot vernietiging zou kunnen slagen.
Hierin bestaande dat het bestuur en/of de raad van commissarissen de ondernemingsraad niet of niet tijdig de gelegenheid hebben geboden een standpunt te bepalen.
In de Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer bij het wetsvoorstel tot wijziging van de structuurregeling geeft de minister, daarbij een vergelijking makend met de raadgevende stem van bestuurders en commissarissen (art. 2:117/227 lid 4 BW), te kennen dat het besluit vernietigbaar is op grond van art. 2:15 lid 1 onder a BW, indien het is genomen terwijl de ondernemingsraad in het geheel niet in de gelegenheid is gesteld om zijn gevoelen ten aanzien van het (voorgenomen) besluit kenbaar te maken (Kamerstukken I 2003-2004, 28 179, B, p. 22).
Schermerhorn 2009, p. 88.
Zie onder ander Dumoulin 1999, p. 228.
Kamerstukken II 2009-2010, 31 877, nr. 5, p. 13.
Kamerstukken II 2008-2009, 31 877, nr. 3, p. 7 en Kamerstukken I 2009-2010, 31 877, C, p. 2.
Weliswaar hebben deze aandeelhouders geen stemrecht, zij kunnen wel deelnemen aan de discussie in de algemene vergadering die aan het besluit vooraf gaat.
Kamerstukken II 2001-2002, 28 179, nr. 5, p. 18.
Kamerstukken I2009-2010, 31 877, B, p. 4.
Kamerstukken I 2009-2010, 31 877, C, p. 8.
Kamerstukken I 2003-2004 28 179, B, p. 10.
Met ingang van 1 juli 20101 heeft de ondernemingsraad van de naamloze vennootschap het recht zijn standpunt kenbaar te maken over een aantal besluiten van de algemene vergadering van aandeelhouders.2 Het betreft besluiten tot het al dan niet verlenen van goedkeuring aan belangrijke bestuursbesluiten (art. 2:107a lid 3 BW), tot benoeming, schorsing en ontslag van bestuurders (art. 2:134a lid 1 BW) en commissarissen (art. 2:144a lid 1 BW), tot vaststelling van het bezoldigingsbeleid (art. 2:135 lid 2 BW) en, bij toepassing van het structuurregime, tot benoeming van commissarissen op voordracht van de raad van commissarissen (art. 2:158 lid 4 BW). Het standpunt wordt tijdig voor de oproeping van de vergadering gevraagd, en de voorzitter of een daartoe aangewezen lid van de ondernemingsraad kan het standpunt in de vergadering toelichten. Ook indien besluitvorming schriftelijk of buiten vergadering plaatsvindt, is het spreekrecht van toepassing.3 Indien het bestuur de ondernemingsraad de gelegenheid niet heeft geboden een standpunt kenbaar te maken, laat dat onverlet dat de voorzitter of een daartoe aangewezen lid gebruik maakt van de mogelijkheid het standpunt tijdens de vergadering toe te lichten (art. 2:107a lid 3 BW).4 Daarnaast zou de ondernemingsraad, indien hij er tijdig mee bekend is dat het onderwerp is geagendeerd, in kort geding kunnen vorderen dat het de algemene vergadering verboden is over het betreffende onderwerp een besluit te nemen voordat de raad zijn standpunt aan de algemene vergadering kenbaar heeft kunnen maken. Is de vennootschap beursgenoteerd, dan zou de ondernemingsraad er om praktische redenen ook voor kunnen kiezen een aandeel te verwerven, om daarmee tijdens de vergadering het woord te kunnen voeren.5
Het oorspronkelijke oogmerk bij toekenning van een spreekrecht (toen overigens nog een adviesrecht) inzake het bezoldigingsbeleid, was de algemene vergadering van aandeelhouders6 in staat te stellen zich een goed beeld te vormen van een bezoldiging die nodig zou zijn om gekwalificeerde en deskundige bestuurders aan te trekken.7 De regering kwalificeerde het recht een standpunt te bepalen en uit te dragen daarnaast als een belangrijk en waardevol recht voor de ondernemingsraad. De opinie van werknemers zou namelijk door de algemene vergadering van aandeelhouders bij zijn besluitvorming betrokken kunnen worden,8 en uitoefening van het recht zou kunnen leiden tot een aanpassing van het ter goedkeuring voorgelegde besluit.9 Toch heeft bij de invoering het belang van de algemene vergadering van aandeelhouders voorop gestaan: het spreekrecht vergroot het draagvlak van besluiten van de algemene vergadering van aandeelhouders en het komt de kwaliteit van die besluiten ten goede.10 Dit primaire belang is echter niet van dien aard dat het ontbreken van een standpunt van de ondernemingsraad de besluitvorming van de algemene vergadering van aandeelhouders aan zou tasten, zo bepaalt de slotzin van de artt. 2:107a lid 3, 2:134a lid 1, 2:144a lid 1, 2:135 lid 2 en 2:158 lid 4 BW.11
Nowak meende kort na indiening van het wetsvoorstel dat met deze bepaling nietigheid of vernietigbaarheid op grond van een totstandkomingsgebrek geëcarteerd werd. Dit kon op zich volgens Nowak niet beoogd zijn, maar het liet in ieder geval de mogelijkheid van vernietiging op grond van strijd met de in art. 2:8 BW bedoelde redelijkheid en billijkheid onaangetast.12 Nadat de minister in algemene zin opnieuw had aangegeven dat de vernietiging op grond van de artt. 2:14 BW en 2:15 BW was uitgesloten,13 is hij in de Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer, verschenen na de bijdrage van Nowak, nog eens in detail ingegaan op de situatie waarin de ondernemingsraad niet in de gelegenheid zou zijn gesteld zijn standpunt kenbaar te maken:
‘In het wetsvoorstel is bepaald dat het ontbreken van een standpunt van de ondernemingsraad de besluitvorming over het voorgestelde besluit niet aantast. Daarmee wordt bedoeld dat een besluit dat is genomen zonder dat de ondernemingsraad in de gelegenheid is gesteld zijn standpunt kenbaar te maken, niet nietig of vernietigbaar is in de zin van artikel 2:14 BW respectievelijk artikel 2:15 BW. Met deze bepaling worden alle vormen van nietigheid en vernietigbaarheid uitgesloten, vernietigbaarheid op grond van strijd met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW daaronder begrepen. Wanneer sprake zou zijn van vernietigbaarheid van het besluit, zou de besluitvorming van de algemene vergadering kunnen worden geblokkeerd of teruggedraaid. Indien de ondernemingsraad niet door het bestuur en de raad van commissarissen in de gelegenheid is gesteld zijn standpunt kenbaar te maken, is sprake van een omstandigheid die buiten de verantwoordelijkheid van de algemene vergadering valt. Daarmee is onverenigbaar dat een sanctie als nietigheid of vernietigbaarheid juist het besluit van de algemene vergadering treft.’.14
Onder meer Holtzer15 en Van Ommeren en Kemperink16 zijn van mening dat uit de betreffende passage volgt dat vernietiging van ava-besluiten omwille van schending van het spreekrecht van de ondernemingsraad min of meer17 uitgesloten is. Dat lijkt inderdaad de bedoeling van de wetgever te zijn geweest. De argumentatie vind ik echter niet overtuigend. Zo ontgaat mij dat een sanctie als nietigheid of vernietigbaarheid onverenigbaar zou zijn met het feit dat de ondernemingsraad ten gevolge van een buiten de verantwoordelijkheid van de algemene vergadering vallende omstandigheid18 niet de gelegenheid heeft gehad een standpunt te bepalen. Terecht wijst onder meer Schermerhorn er op dat het ontbreken van een standpunt van de ondernemingsraad bij opzegging van het vertrouwen in de gehele raad van commissarissen wel tot vernietiging van het ava-besluit kan leiden.19 Ook in dát geval is het aan het bestuur er zorg voor te dragen dat de algemene vergadering van aandeelhouders kennis kan nemen van het standpunt van de ondernemingsraad (art. 2:161a lid 2 BW).20 Datzelfde zien we bij de vernietiging van een ava-besluit op vordering van een belanghebbende indien de bijeenroeping van de algemene vergadering door het bestuur niet op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden (vgl. art. 2:109 jo. de art. 2:113 en 2:114 BW).21 Ook rechtszekerheid als argument tegen vernietiging van een ava-besluit dat is genomen zonder dat de ondernemingsraad van zijn spreekrecht gebruik heeft kunnen maken, overtuigt mij niet. Rechtszekerheid heeft hoofdzakelijk van doen met derden. En juist met betrekking tot deze derden bevat art. 2:107a lid 2 BW een specifieke bepaling die de externe rechtszekerheid ten goede komt: indien een besluit van de algemene vergadering ontbreekt (of achteraf komt te ontbreken, zou ik daaraan willen toevoegen), tast dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur niet aan. Derden mogen er, ook bij vernietiging achteraf, op vertrouwen dat de verplichtingen die de vennootschap jegens hen is aangegaan onaantastbaar zijn.
Bij de behandeling van het wetsvoorstel is door de PvdA-fractie in de Tweede Kamer de vraag opgeworpen waarom de regeling van het spreekrecht beperkt bleef tot naamloze vennootschappen. Zou dat recht ook niet in het leven geroepen moeten worden voor ondernemingsraden van organisaties die in een andere rechtsvorm zijn gegoten?22 De regering vond dit laatste niet nodig. Aandeelhouders in de besloten vennootschap zouden nauwer bij de gang van zaken in de vennootschap betrokken zijn, en zouden uit dien hoofde een beter inzicht hebben in de zienswijze van de werknemers.23 Hoewel niet te ontkennen valt dat de betrokkenheid van aandeelhouders bij een besloten vennootschap in het algemeen van een andere aard is dan die van aandeelhouders bij een naamloze vennootschap, ben ik toch niet overtuigd door dit antwoord. De mate van betrokkenheid en het daaruit voortvloeiende inzicht in de visie van werknemers hebben ook geen enkele rol gespeeld in het kader van de vraag of het spreekrecht niet beperkt zou moeten blijven tot grote, beursgenoteerde naamloze vennootschappen.24 Bovendien betwijfel ik ten zeerste of aandeelhouders in besloten vennootschappen die een grote onderneming in stand houden daadwerkelijk dat betere inzicht hebben dan aandeelhouders in kleine (niet beursgenoteerde) naamloze vennootschappen. Tenslotte vraag ik mij af of de betrokkenheid, en dus het inzicht in de visie van werknemers, van stemrechtloze aandeelhouders in de besloten vennootschap, die wij inmiddels kennen (art. 2:228 lid 5 BW), groter is dan die van aandeelhouders in de (open) naamloze vennootschap.25
Wat opvalt is dat de onderbouwing van de regering om ondernemingsraden bij besloten vennootschappen geen spreekrecht toe te kennen min of meer gelijk is aan die welke de regering in 2002 gaf aan haar besluit het met art. 2:107a BW overeenstemmende goedkeuringsrecht van de algemene vergadering van aandeelhouders bij de besloten vennootschap (art. 2:217a BW) te schrappen uit het wetsvoorstel tot aanpassing van de structuurregeling.26 Dit geeft grond voor de veronderstelling dat de regering zich voor eventuele toekenning van een spreekrecht van de besloten vennootschap hoofdzakelijk heeft laten leiden door de overweging dat de algemene vergadering van aandeelhouders bij de besloten vennootschap geen wettelijk goedkeuringsrecht heeft. Ik voel mij daarin gesterkt door het antwoord van de minister op de vraag in de Eerste Kamer waarom het spreekrecht niet in besloten vennootschappen is gecreëerd:27 ‘Ook de verplichte goedkeuring van de algemene vergadering voor belangrijke bestuursbesluiten (artikel 2:107a BW) geldt alleen voor naamloze vennootschappen. Een spreekrecht voor de ondernemingsraad op deze gebieden bij andere rechtspersonen is dan ook niet relevant.’.28 Dit ben ik niet met de minister eens. Weliswaar is het goedkeuringsrecht van de algemene vergadering van aandeelhouders van de besloten vennootschap niet in de wet vastgelegd, daarmee is niet gezegd dat de algemene vergadering dat recht niet heeft indien het bestuur dit soort ingrijpende besluiten neemt. De (uiteindelijk geschrapte) regeling van het goedkeuringsrecht in art. 2:217a BW sloot immers aan bij hetgeen volgens literatuur en jurisprudentie al geldend recht was.29 Ik verwijs naar de auteurs en de rechtspraak die ik in dit verband in par. 3.3.2.2.2 noemde. Ook het bestuur van de besloten vennootschap kan diep ingrijpende besluiten derhalve niet nemen zonder instemming of goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders. Anders dan de minister aan de Eerste kamer te kennen geeft, is een spreekrecht van de ondernemingsraad dus ook bij de besloten vennootschap wel degelijk relevant, minst genomen waar het besluiten betreft omtrent een belangrijke verandering van de identiteit van de vennootschap of de onderneming. De vraag is alleen hoe dat in de wet verankerd zou kunnen worden indien het goedkeuringsrecht dat niet is. Een voor de hand liggende mogelijkheid zou een aanvulling van art. 2:227 BW zijn met een met art. 2:107a lid 3 BW vergelijkbare bepaling.