Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/16.2.4
16.2.4 Wanneer is een onroerende zaak in hoofdzaak bestemd voor de openbare eredienst of het houden van bezinningssamenkomsten?
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS452797:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 5 oktober 1934, Stb. 1934, 528.
Kamerstukken II 1933/34, 203, 3 (MvT van Wet op heffing van eene belasting naar het vermogen van instellingen van de doode hand), p. 2. Zie voor de betekenis van de ‘doode hand’ Wikipedia: ‘Met inkomsten uit de dode hand worden opbrengsten bedoeld uit bezittingen van bijvoorbeeld kerkgenootschappen of charitatieve instellingen zoals armenhuizen en weeshuizen. Verhuur van gebouwen en grond leveren huur en pacht op, spaargelden en belegd vermogen brengen rente en dividend op. Van 1934-1939 werd in Nederland het vermogen van deze instellingen met een Belasting van de Doode Hand belast’ (geraadpleegd 15 januari 2018).
Handelingen II 1933/34, 203, 67e vergadering, p. 2083.
Handelingen II 1970/71, 14e vergadering, p. 600.
Wet premie kerkenbouw 1962, Stb. 1962, 538. Deze formulering werd, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis, overgenomen van de Commissie kerkenbouw (Commissie-Sassen) die de regering adviseerde over de subsidie voor de bouw van nieuwe kerken.
Kamerstukken II 1970/71, 9538, nr. 29 (amendement-Kieft).
Kamerstukken II 1990/91, 21 591, nr. 10, p. 15-16 (NEV II).
Dit percentage wordt niet nader onderbouwd. Volgens Monsma is het aannemelijk dat de HR in casu een vorm van analoge interpretatie toepast. Hij verwijst daarvoor naar het voormalige art. 61a van de Wet op de inkomstenbelasting waarin ‘hoofdzakelijk’ ook als wettelijke term was opgenomen. Monsma legt uit dat bij de parlementaire behandeling van het desbetreffende artikel de staatssecretaris van Financiën destijds desgevraagd heeft opgemerkt dat het begrip hoofdzakelijk het midden houdt tussen grotendeels (ten minste 50%) en geheel of nagenoeg geheel (ten minste 90%), termen die ook worden gehanteerd in het kader van de buitengewone lastenregeling van de inkomstenbelasting. In een percentage uitgedrukt komt dit neer op ten minste 70%. Zie Monsma, MBB 1992/259.
Daarbij zijn de delen van het gebouw die dienen als woning uitgezonderd omdat deze niet dienen voor de openbare eredienst of bezinningsbijeenkomsten van levensbeschouwelijke aard.
HR 4 december 1991, BB 1992/73, m.nt. Kruimel; BNB, 1992/47, m.nt. Leijenhorst en FED 1992/56, m.nt. Snoijnk. Zie Gerechtshof Arnhem, 21 september 1979 ECLI:NL:GHARN:1979:AX0131.
Voor de wijziging van de Gemeentewet begin jaren ‘70 van de vorige eeuw ging men ervan uit dat zaken die bestemd waren voor de eredienst zonder meer vrijgesteld waren van onroerendezaakbelasting (toen nog grondbelasting geheten in het kader van de Wet op de grondbelasting van 1897). Wanneer de eigenaar van een kerkgebouw verklaarde dat het bestemd was voor de eredienst kwam hij in aanmerking voor belastingvrijstelling. Dit was het geval onder de ‘Wet op heffing van eene belasting naar het vermogen van instellingen van de doode hand’.1 In deze wet werd in artikel 3 een vrijstelling opgenomen ten aanzien van ‘zaken voor de openbare eredienst bestemd’.2 De minister verdedigt in 1933 in de aanloop van deze wet deze vrijstelling als volgt:
‘Ten slotte heeft de ondergeteekende gemeend, dat in de regeling van een belasting op het vermogen in de doode hand een vrijstelling van kerkgebouwen en andere tot den openbaren eeredienst bestemde zaken niet mocht ontbreken. De belastingheffing ligt in de sfeer der economische dingen. De genoemde zaken zou hij willen beschouwen als “daar boven uit te zijn geheven”.’
De minister verklaart waarom hij deze uitzondering heeft opgenomen:
‘Ik wenschte niet, dat zaken, die bestemd zijn voor den eeredienst en die daardoor, zooals in de Memorie van Toelichting gezegd wordt, behooren tot de geestelijke sfeer, zouden worden bekeken met het oog van den schatter, die alleen naar verkoopwaarde ziet.’
En:
‘Uit hoofde van het respect voor den godsdienst, dat bij de Regeering aanwezig is, hebben wij dadelijk gezegd: die zaken, die zoo in de geestelijke sfeer liggen, moeten er buiten blijven, hoe het wetsontwerp ook mag worden.’3
We komen de huidige terminologie ‘in hoofdzaak bestemd voor de eredienst’ in het kader van belastingheffing voor het eerst begin jaren ’70 van de vorige eeuw tegen bij de wijziging van de bepalingen inzake gemeentelijke en provinciale belastingen. In de wet waarin deze wijzigingen werden geregeld wordt onder andere gesteld dat gemeenten de autonomie hebben om belasting te heffen over onroerend goed. Kamerlid Kieft van de ARP brengt tijdens de parlementaire behandeling een amendement naar voren waarin hij bedingt dat bij AMvB regels gesteld moeten kunnen worden voor gebouwen die in hoofdzaak bestemd zijn voor de eredienst. Hij wil de autonomie van gemeenten enigszins beknotten met rijksbeleid ten aanzien van het heffen van belasting op onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de eredienst. Zijn doel is om de dan bestaande vrijstelling voor onroerendezaakbelasting voor kerken te handhaven.4 De term ‘hoofdzaak’ lijkt hij, hoewel dit niet blijkt uit de wetsgeschiedenis, te ontlenen aan de Wet premie kerkenbouw. Daarin wordt in artikel 13 en 14 in het kader van de subsidie aan de bouw van kerken voor het eerst de formulering ‘in hoofdzaak bestemd voor de eredienst’5 gebruikt. Het amendement-Kieft leidde ertoe dat in artikel 223 Gemeentewet (oud) een bepaling werd opgenomen die het mogelijk maakt dat per AMvB regels worden gesteld voor belastingvrijstellingen voor gebouwen die in hoofdzaak bestemd zijn voor de openbare eredienst.6
Bij de wijziging van de Gemeentewet in 1991 vroeg de SGP-fractie de minister om meer duidelijkheid over de terminologie ‘in hoofdzaak bestemd voor’. De regering stelt:
‘De vraag of een object in hoofdzaak is bestemd voor de openbare eredienst zal aan de hand van de feitelijke omstandigheden moeten worden beoordeeld. Het bestemd zijn voor de openbare eredienst houdt in dat er een zekere duurzaamheid moet zijn in het nagestreefde gebruik van het gebouw. Over de vraag of er sprake is van het in hoofdzaak bestemd zijn voor de openbare eredienst, is in een aantal gevallen het oordeel gevraagd van de belastingrechter. In het licht van de jurisprudentie – zowel die met betrekking tot de onroerendgoedbelastingen als die betreffende de inkomstenbelasting – is een gebouw in hoofdzaak bestemd voor de openbare eredienst indien dit voor ongeveer 65% het geval is. De wijze waarop dit aandeel wordt berekend gaat niet uit van de oppervlaktemaat, maar van de inhoudsmaat van de desbetreffende onroerende goederen. De belastingrechter heeft in onder meer de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 21 september 1979, nr. 72/1978, BNB 1981/55, geoordeeld dat de inhoudsmaat de voorkeur verdient boven de oppervlaktemaat, omdat door de grotere aantallen personen die in grote ruimten vertoeven een grotere plafondhoogte noodzakelijk is. Overigens kan dat bij andere gebouwen weer anders liggen.’7
In 1991 stelt de Hoge Raad het bovengenoemde percentage van 65% bij naar 70%8 en bakent hij de betekenis van de terminologie ‘in hoofdzaak bestemd voor de openbare eredienst’ nader af. De Hoge Raad beoordeelt of een onroerende zaak bestemd is voor de openbare eredienst op basis van een systeem, waarbij de ruimtelijke indeling van een gebouw dat gebruikt wordt voor de eredienst, doorslaggevend is.9 Indien, met aftrek van algemene ruimten zoals keukens en toiletten, 70% van de ruimte van een gebouw is ingericht voor de eredienst of bezinningssamenkomst, dan komt de kerkelijke, religieuze of levensbeschouwelijke instelling in aanmerking voor belastingvrijstelling.10
Het bovenstaande wijst erop dat er net als bij de ANBI-regeling ook ten aanzien van de onroerendezaakbelasting een ontwikkeling is geweest waarbij de nadruk is komen te liggen op de toetsing van de feitelijke omstandigheden. Immers, voorheen wilde de minister niet dat de belastingheffer zich op het geestelijke terrein van de eredienst zou begeven en zou objectiveren in welke mate zaken bestemd zijn voor de eredienst. Met de eis van de wetgever dat een zaak in hoofdzaak bestemd moet zijn voor de eredienst en de ontwikkeling in de jurisprudentie en wetgeving waarbij men uitgaat van het toetsen van de feitelijke omstandigheden, is dat principe zowel door de wetgever als de rechter losgelaten.