Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/12.2.6
12.2.6 Conclusie
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS348506:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Pretin signaleert overigens dat dit onderscheid soms niet eenvoudig is te maken, maar dat, om het onderscheid te blijven zien, het behulpzaam kan zijn te beoordelen of de ingetreden schade een direct gevolg is van het handelen van de bestuurder (bijvoorbeeld schending van de Beklamel-norm of het toelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt) of van het handelen van de vennootschap (bijvoorbeeld niet nakomen door insolventie of door omstandigheden waar de bestuurder niet persoonlijk bij betrokken is). Zie: Petrin 2012, p. 1683.
Uit het voorgaande volgt dat van normatieve convergentie van de business judgment rule met de regels voor onrechtmatige daad in Delaware geen sprake is. Integendeel: het onderscheid tussen de regels voor interne aansprakelijkheid en onrechtmatige daad (externe bestuurdersaansprakelijkheid) wordt benadrukt.1 In dat verband wordt erop gewezen dat de aansprakelijkheid van een bestuurder jegens een derde berust op de gewone regels van onrechtmatige daad. Deze is louter afhankelijk van de vraag of de bestuurder een persoonlijk op hem rustende zorgvuldigheidsverplichting schendt. Er bestaat dus geen (‘systematisch’) toetsingsmodel zoals het Nederlandse, waarin eerst de vraag wordt gesteld of een schuldeiser van de rechtspersoon is benadeeld door het onbetaald blijven van diens vordering op de rechtspersoon en vervolgens wordt getoetst hoe de bestuurder in verband met die benadeling heeft gehandeld. Evenmin wordt gesproken over een hogere drempel voor aansprakelijkheid.