Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/4.2.2.0
4.2.2.0 Introductie
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291339:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Art. 15 lid 2, art. 47, art. 117, art. 135 lid 1, onderdelen k en l, art. 137 lid 1, onderdelen c en d, art. 174 lid 2, onderdeel b, art. 199 lid 1, onderdelen a, c en g en art. 288 Btw-richtlijn.
Art. 135 lid 1, onderdeel k jo. art. 12 lid 1, onderdeel b Btw-richtlijn.
Art. 135 lid 1, onderdeel j jo. art. 12 lid 1, onderdeel a Btw-richtlijn.
Art. 135 lid 2, onderdeel a Btw-richtlijn.
Art. 135 lid 2, onderdeel b Btw-richtlijn.
Art. 135 lid 2, onderdeel c Btw-richtlijn.
Art. 135 lid 2, onderdeel d Btw-richtlijn.
Conclusie A-G Jacobs 6 juni 2002, zaak C-315/00, ECLI:EU:C:2002:344, punt 34 (Maierhofer).
HvJ EG 16 januari 2003, zaak C-315/00, BNB 2003/123, m.nt. Van Kesteren, r.o. 26 (Maierhofer).
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1042/2013 van de Raad van 7 oktober 2013 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 wat betreft de plaats van een dienst, PbEU 2013, L 284/1.
Guidelines resulting from the 93rd meeting of 1 July 2011, document A – taxud.c.1(2012)400557-707.
Toelichting van de Europese Commissie van 26 oktober 2015 op de EU-btw-regels betreffende de plaats van een dienst voor diensten met betrekking tot onroerend goed die in 2017 in werking treden, p. 17.
Voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 wat betreft de plaats van een dienst van 18 december 2012, nr. COM(2012) 763 final, p. 7.
In de Btw-richtlijn komt het begrip ‘onroerend goed’ in diverse bepalingen voor1, maar in de Btw-richtlijn wordt dit begrip niet voorzien van een definitie. Niettemin kan uit de Btw-richtlijn wel worden afgeleid dat (bouwrijp gemaakte) terreinen2, (gedeelten van) gebouwen3, bouwwerken4, (verhuur)accommodatie in hotels en vakantiekampen en op kampeerterreinen5, parkeerruimte voor voertuigen6, blijvend geïnstalleerde werktuigen en machines7 en safeloketten8 (delen van) onroerende goederen zijn. Omdat uit de Btw-richtlijn niet volgt dat de definiëring van het begrip ‘onroerend goed’ aan de lidstaten is overgelaten9, kwalificeert dit begrip als een uniebegrip.10 Met ingang van 1 januari 2017 is de volgende definitie van dit uniebegrip opgenomen in art. 13ter Btw-uitvoeringsverordening:
“a) ieder welbepaald boven- of ondergronds gedeelte van de aarde waaraan eigendoms- en bezitsrechten kunnen worden verbonden;
b) ieder gebouw of iedere constructie dat of die vast met de grond verbonden is onder of boven zeeniveau en dat niet gemakkelijk te demonteren of te verplaatsen is;
c) ieder element dat is geïnstalleerd en een integrerend deel uitmaakt van een gebouw of constructie zonder welk het gebouw of de constructie onvolledig is, zoals deuren, ramen, daken, trappen en liften;
d) ieder element of werktuig dat of iedere machine die blijvend geïnstalleerd is en niet zonder vernietiging of wijziging van het gebouw of de constructie kan worden verplaatst.”11
Deze definitie is een codificatie van het eerste richtsnoer van de 93e vergadering van het Btw-comité.12 De vier categorieën van art. 13ter Btw-uitvoeringsverordening zijn een uitputtende opsomming van (delen van) onroerende goederen, maar het is volgens de Europese Commissie niet uitgesloten dat een goed in meerdere categorieën in te delen is.13 In het voorstel dat ten grondslag lag aan art. 13ter Btw-uitvoeringsverordening merkte de Europese Commissie op dat deze definitie grotendeels ontleend is aan de jurisprudentie van het Hof van Justitie.14 Hieruit is af te leiden dat de definitie niet beperkt is gebleven tot een codificatie van de jurisprudentie van het Hof van Justitie. Dit roept de vraag of in art. 13ter Btw-uitvoeringsverordening (tertiair unierecht) ook is afgeweken van de jurisprudentie van het Hof van Justitie en, zo ja, of deze definitie in zoverre ongeldig – want in strijd met de Btw-richtlijn (subsidiair unierecht) – is (zie paragraaf 2.3.3).
In deze paragraaf wordt ingegaan op de eerste twee onderdelen van de definitie van het uniebegrip onroerend goed in art. 13ter Btw-uitvoeringsverordening. Hierbij zal onderzocht worden of en, zo ja, in hoeverre deze twee onderdelen in overeenstemming zijn met de Btw-richtlijn en de uitleg daarvan door het Hof van Justitie. De laatste twee onderdelen van art. 13ter Btw-uitvoeringsverordening blijven onbesproken, omdat dit onderzoek beperkt is tot transacties die inhouden dat tegen vergoeding een exclusief gebruiksrecht wordt overgedragen of overgaat op een zelfstandig onroerend goed, d.w.z.: een (gedeelte van een) gebouw of een onbebouwd terrein (zie paragraaf 1.4).