Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/9.2.6.0
9.2.6.0 Introductie
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS495818:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 111 lid 3 Rv is in 2002 in de wet opgenomen en is ontleend aan het voormalig Versneld Regime: het beoogt met name het verkorten en doelmatiger laten verlopen van procedures.
Toentertijd is gekozen om de substantiëringsplicht slechts van toepassing te laten zijn op dagvaardingsprocedures. Het argument dat in de parlementaire geschiedenis hiervoor wordt gegeven is dat er in verzoekschriftprocedures slechts zelden sprake is van een wederpartij. Bovendien zouden partijen in verzoekschriftprocedures in de praktijk de verzoeken verweerschriften informatiever inrichten dan in dagvaardingsprocedures: Kamerstukken I 2001/02, 26855, nr. 16, p. 35. Beide argumenten zijn voor beslagrekesten niet van toepassing.
Andere visies hierop komen aan de orde in paragraaf 9.2.6.3
Kamerstukken I 2001/02, 26855, nr. 16, p. 35. Datum inwerkingtreding van de wet: 1 januari 2002.
Zie paragraaf 5.3.3.3
Voor de wijze waarop invulling kan worden gegeven aan een sterkere waarborgfunctie voor de beslagene binnen de eerste pijler, is in het Research Memorandum de aanbeveling gedaan tot invoering van een zogenoemd Full Disclosure-beginsel. Zo een beginsel zou op termijn kunnen worden vastgelegd in een wettekst, vergelijkbaar met die van artikel 111 lid 3 Rv1 inzake vereisten voor de substantiëring van dagvaardingen en worden ingevoegd in artikel 700 Rv inzake de voorwaarden voor het leggen van conservatoir beslag. Aansluiting voor de figuur kan worden gezocht bij de tekst van artikel 111 lid 3 Rv:2
‘het exploot van dagvaarding vermeldt de door gedaagde tegen de eis aangevoerde verweren en de gronden daarvoor (…)’.
Strikt noodzakelijk voor invoering van een dergelijk beginsel is vastlegging in de wet naar mijn oordeel echter niet.3 De omstandigheid dat artikel 111 lid 3 Rv niet van toepassing is verklaard op verzoekschriftprocedures behoeft geen belemmering te zijn voor de toepassing van het verweer van de beoogd beslagene in het kader van het Full Disclosure-beginsel bij beslagrekesten. Immers, zoals ook in de MvT bij de Wet Herziening van het Burgerlijk Procesrecht voor burgerlijke zaken is vermeld,4 geldt reeds op grond van artikel 21 Rv de verplichting van partijen om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren tevens voor de verzoekschriftprocedure. De algemene bepalingen van de derde afdeling van de eerste titel van Rv gelden, zoals al eerder werd vermeld, namelijk voor alle civiele procedures. Aan de aanbeveling om een Full Disclosure beginsel in te voeren heeft mede ten grondslag gelegen dat tijdens mijn eerste onderzoek naar het beoordelen van beslagrekesten naar voren was gekomen dat de informatie die door verzoekers in een beslagrekest werd vermeld in veel gevallen zo minimaal was dat de beoordeling, vooral met betrekking tot de (on)gegrondheidstoets en de summierlijke afweging van wederzijdse belangen, navenant beperkt was.5 Deze omstandigheid, in onderlinge samenhang met een werkwijze van een zeer beperkte toetsing heeft, zo is mijn indruk, geleid tot een vicieuze cirkel van een zichzelf bevestigende praktijk: omdat de algemene indruk bestond dat toch ‘gestempeld’ werd en het verstrekken van (meer) informatie alleen tot vragen kon leiden, werd er zo min mogelijk informatie in het beslagrekest vermeld, waarna, omdat het beslagrekest maar beperkte informatie bevatte, op onderdelen onvoldoende of zelfs helemaal niet werd getoetst. De voorzieningenrechters die ik hierover heb gesproken zagen hierin toen geen beletsel omdat het opheffingskortgeding immers beschikbaar was om onterechte beslagen te corrigeren. Bovendien werd ervan uitgegaan dat het geringe aantal opheffingskortgedingen een indicatie was van een gering aantal onrechtmatige of vexatoire beslagen. Nadien heeft het onderzoek naar conservatoir beslag duidelijk gemaakt dat de waarborgen in de pijlers opheffingskortgeding en schadevergoeding na onrechtmatig beslag zodanig moeizaam functioneren, dat niet mag worden uitgegaan van een systeem waarbinnen onrechtmatige of vexatoire beslagen in een volgende pijler op redelijk eenvoudige wijze kunnen worden gecorrigeerd. Op grond van deze vaststelling en conclusie lag het voor de hand om te streven naar een beslagrekest met daarin meer informatie.