De verklaring voor recht
Einde inhoudsopgave
De verklaring voor recht (BPP nr. XVIII) 2015/16:16 Het declaratoire vonnis in strijd met de aard en het doel van het burgerlijk procesrecht
De verklaring voor recht (BPP nr. XVIII) 2015/16
16 Het declaratoire vonnis in strijd met de aard en het doel van het burgerlijk procesrecht
Documentgegevens:
mr. N.E. Groeneveld-Tijssens, datum 23-03-2015
- Datum
23-03-2015
- Auteur
mr. N.E. Groeneveld-Tijssens
- JCDI
JCDI:ADS393492:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hof Utrecht 14 september 1857, W. 1913; Hof Noord-Holland 26 juni 1856, W. 1764; Hof Noord- Holland 8 maart 1855, W. 1655; Hof Noord-Holland 15 januari 1854, W. 1538; Hof Noord-Holland 6 januari 1853, W. 1403; Rb. Maastricht 24 december 1857, W. 1945; Rb. Breda 16 februari 1875, W. 3852; Rb. Amsterdam 14 maart 1894, W. 6540.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De hiervoor besproken terughoudendheid ten opzichte van het declaratoire vonnis is mede te te wijten aan de heersende opvatting over de aard en het doel van het burgerlijk procesrecht. Zie bijvoorbeeld het arrest van het hof van Noord-Holland van 6 januari 1853, R. Bijbl. 1853, p. 1. In dat geval vorderde de eiser een verklaring voor recht dat hij eigenaar was van bepaalde gronden. Het hof oordeelde:
‘dat de oorspronkelijke vordering des appellants, om bij rechterlijk vonnis te worden bewaard en gehandhaafd in den eigendom van de bij primitieve dagvaarding omschreven percelen, geene andere strekking heeft, dan om zich door den rechter, zonder dat diens oordeel over eenige krenking van dat beweerde eigendomsrecht wordt ingeroepen, te doen geven eene verklaring, dat de appellant is eigenaar van de voorzegde perceelen;
dat de vordering tot verkrijging van zoodanige verklaring, en dus eener zoogenaamde sententia declaratoria, als strijdig met den aard en het doel der burgerlijke rechtspraak, in rechten is onaannemelijk;’
In diverse negentiende-eeuwse uitspraken verklaarde de rechter de eiser nietontvankelijk omdat de vordering betrekking had op een situatie waarin de gedaagde nog geen inbreuk had gemaakt op enig recht van de eiser. Volgens deze rechtspraak kon een vordering slechts dienen tot herstel van een reeds gemaakte inbreuk op een recht van de eiser. Omdat de vordering die strekt tot een verklaring voor recht daartoe niet strekt, moest de eiser niet-ontvankelijk worden verklaard.1