Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/V.3.4.2
V.3.4.2 De overtreding van een wettelijke milieunorm
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460447:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hieromtrent ook wat ik schrijf in par. IV.5.2. en par. IV.5.3.2 onder het kopje ‘B) Het objectieve bestanddeel (verboden handelen of nalaten)’.
De Hullu constateert dat ook in het strafrecht het functioneel daderschap van de verdachte zelden expliciet aan de orde is, en als dat al gebeurt, dat de criteria niet met zoveel woorden worden toegepast.
Wanneer de aansprakelijkheidsvoorwaarden van een milieudelict niet volledig zijn vervuld en de leidinggevende ook niet op verboden wijze heeft deelgenomen aan het milieudelict, kan er in het privaatrecht – anders dan in het strafrecht – door zogeheten reflexwerking tóch nog sprake zijn van een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 lid 2 BW. De handeling is dan niet in strijd met een wettelijke plicht, maar met een (zelfstandige) ongeschreven zorgvuldigheidsnorm die mede invulling krijgt door het geschonden wettelijke voorschrift. Zie hieronder par. V.3.4.3.
Zie par. V.3.2.3.
De medeplichtige treft echter een lichter verwijt dan andere deelnemers. In het strafrecht vertaalt dit zich in een lager strafmaximum (art. 49 lid 1 Sr). In het privaatrecht kan het lichtere verwijt en het kleinere materiële aandeel van de medeplichtige in de normschending en de gevolgen daarvan ook een rol spelen bij de beoordeling van de omvang van de schadevergoedingsplicht van de medeplichtige.
Privaatrechtelijk ‘plegen’
De leidinggevende begaat in de eerste plaats een milieuovertreding, wanneer hij zelf alle aansprakelijkheidsvoorwaarden van het wettelijke milieuvoorschrift vervult. Dit is wat in het strafrecht zou worden aangeduid als ‘plegen’. Als in het voorschrift een bepaald soort gedraging verboden wordt gesteld, dan is voor de overtreding ervan niet noodzakelijk dat de leidinggevende de verboden gedraging eigenhandig verricht. Dat is – net als in het strafrecht – een kwestie van delictsinterpretatie: de verboden gedraging uit het voorschrift kan ook een niet-fysieke betekenis hebben.
Bijvoorbeeld: artikel 10.2 lid 1 Wm bepaalt dat het verboden is “zich van afvalstoffen te ontdoen door deze – al dan niet in verpakking – buiten een inrichting te storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden.” Wanneer een leidinggevende een ondergeschikte opdraagt om het bedrijfsafval in een nabijgelegen bos te storten, dan kan geen privatist in redelijkheid betwisten dat de manier van handelen van de leidinggevende beantwoordt aan de delictsgedraging van artikel 10.2 lid 1 Wm.
De in het strafrecht ontwikkelde toerekeningsformule voor functioneel plegerschap is mijns inziens ook relevant (en behulpzaam!) in het privaatrecht voor de beantwoording van de vraag of een leidinggevende in juridisch opzicht verantwoordelijk is voor een verboden gedraging van een ander. Wanneer een delictsgedraging uit een milieudelict op grond van de IJzerdraad-criteria kan worden toegerekend aan een leidinggevende, is er mijns inziens onmiskenbaar sprake van handelen in ‘strijd met een wettelijke plicht’ in de zin van artikel 6:162 lid 2 BW. Wat in het strafrecht genoeg is voor toerekening, moet zeker genoeg zijn in het privaatrecht.1 Immers: als er bij functioneel plegerschap geen sprake zou zijn van een handeling in ‘strijd met een wettelijke plicht’, dan zou ingevolge het legaliteitsbeginsel uit artikel 1 lid 1 Sr functioneel plegen ook niet strafbaar zijn.2
De IJzerdraad-criteria zijn niet alleen van toepassing bij de beoordeling of een leidinggevende (met tussenkomst van een ander) een onrechtmatige daad heeft gepleegd, ze zijn bovendien uiterst nuttig: ze bieden een doordacht, uitgekristalliseerd en praktisch juridisch kader voor de toerekening van een verboden gedraging.
In sommige gevallen zal het evident zijn (of niet tussen partijen ter discussie staan) dat een leidinggevende de delictsgedraging heeft verricht. Daarom geldt (ook3) in het privaatrecht dat nadere delictsinterpretatie of de toepassing van een toerekeningsformule niet altijd nodig zal zijn om vast te stellen dat de aangesproken leidinggevende een objectief bestanddeel heeft vervuld. De IJzerdraad-criteria hebben dan ook vooral toegevoegde waarde voor het beslechten van complexe gevallen.
Ook in deze context is het goed om te benadrukken dat de IJzerdraad-criteria betrekking hebben op de toerekening van een verboden gedraging, dus op het objectieve bestanddeel van een milieuvoorschrift. Er is echter pas sprake van een ‘strijd met een wettelijke plicht’ wanneer de leidinggevende álle aansprakelijkheidsvoorwaarden (bestanddelen) van het milieuvoorschrift vervult. Ook voor het ‘privaatrechtelijk plegen’ van een milieuovertreding geldt daarom dat de leidinggevende (als het geschonden voorschrift een kwalitatief bestanddeel bevat) zelf normadressaat moet zijn en (als het voorschrift een subjectief bestanddeel bevat) dat bij hem de vereiste mate van schuld/opzet aanwezig moet zijn. De beoordeling of een leidinggevende deze bestanddelen heeft vervuld, verloopt op dezelfde wijze als in het strafrecht. De adressering van de norm en eventuele vereisten ten aanzien van het schuldverband worden immers bepaald door de norm zélf, en deze kenmerken veranderen niet al naar gelang de norm in het ene of het andere rechtsgebied wordt gehandhaafd.4
‘Deelnemen’ in het privaatrecht
Wanneer de aangesproken leidinggevende niet zelf alle bestanddelen van het geschonden wettelijke milieuvoorschrift vervult, maar wél betrokken is geweest bij het begaan van de milieuovertreding, kan er mogelijk toch nog sprake zijn van strijd met een wettelijke plicht in de zin van artikel 6:162 lid 2 BW. Bepaalde vormen van betrokkenheid zijn namelijk wettelijk verboden.5 Hier zijn de strafrechtelijke deelnemingsvormen daarom opnieuw relevant.
Titel V van het Wetboek van Strafrecht bepaalt wanneer betrokkenheid bij een strafbaar feit ook strafwaardig is. In die titel komen verschillende deelnemingsvormen aan bod, waaronder medeplegen (art. 47 lid 1 Sr), medeplichtigheid (art. 48 Sr) en feitelijk leidinggeven (art. 51 lid 2 Sr). Wanneer een leidinggevende als ‘medepleger’, ‘medeplichtige’6 of als ‘feitelijk leidinggever’ betrokken is bij een milieuovertreding, handelt hij weliswaar niet zélf in strijd met het (hele) geschonden voorschrift, maar begaat hij toch een onrechtmatige daad. De onrechtmatigheid is dan gelegen in de combinatie van het onderliggende milieuvoorschrift en de bij wet verboden gestelde vorm van betrokkenheid.