Einde inhoudsopgave
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/6.3.4.2
6.3.4.2 Insolventieakkoord
mr. drs. D.F.H. Stein, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. drs. D.F.H. Stein
- JCDI
JCDI:ADS931126:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hiervoor, nr. 266.
Zie hiervoor, nr. 268.
Zie hierna, nr. 300.
Soedira 2011/6.7; Wessels Insolventierecht VI 2020/6159; Verstijlen, in: GS Faillissementswet, art. 160 Fw, aant. 5 (online, actueel t/m 9 oktober 2022).
Zie voor regres hierna, nr. 299.
Zie hiervoor, nr. 296.
Tollenaar 2019/8; Tollenaar 2021/7-10.
Zie Hoofdstuk 4, par. 4.3.3.
Tollenaar 2019/8. In Tollenaar 2021/9 spreekt hij in dit kader van “stuivertje wisselen”.
Vgl. het (niet zo duidelijke) voorbeeld in Kamerstukken II 2018/19, 35249, 3 (MvT), p. 10.
Zie hiervoor, nr. 1 en 91.
Zie hiervoor, nr. 174, onder verwijzing naar HR 1 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1486, NJ 2009/343, m.nt. Jac. Hijma; JOR 2008/115, m.nt. R.I.V.F. Bertrams (ING/Provincie Utrecht), r.o. 3.3.2.
Tollenaar 2017, p. 57-58; Mennens 2020/408-411. Anders: Wessels Insolventierecht VI 2020/6159, die (ten onrechte) geen onderscheid maakt tussen regres en subrogatie.
Van Gangelen & Gispen 2012/3.16.3 (p. 320-322); Hermans & Vriesendorp 2014, par. 3; Tollenaar 2016/8.11 (p. 372-373); Veder & Thery 2017/3 (p. 263-265); Veder & Van Hees 2017/5.4.3 (p. 196-199); Jonkers 2020/4.2.6. (p. 172); en Mennens 2020/408.
Zie hiervoor, nr. 265 en 297.
Cohen 1891, p. 214.
Van der Feltz II, p. 190. Zie voorts Cohen 1891, p. 214-225; Verstijlen, in: GS Faillissementswet, art. 160 Fw, aant. 5 (online, actueel t/m 9 oktober 2022); Wessels Insolventierecht VI 2020/6164; Mennens 2020/409.
298. Gevolgen van insolventieakkoord voor hoofdelijk medeschuldenaren (subrogatie). De werking van art. 160 Fw brengt mee dat het reeds herhaaldelijk besproken ‘regresrisico’ ook bestaat in geval van een insolventieakkoord.1 De kwalificatie van het insolventieakkoord als (in beginsel) omzetting van een civiele verbintenis in een natuurlijke verbintenis, brengt mee dat de vorderingen jegens hoofdelijk medeschuldenaren door het akkoord geen wijziging ondervinden.2 Zij kunnen dus ook na het verbindend worden van het akkoord nog worden aangesproken en kunnen dan mogelijk verhaal nemen op de schuldenaar op wie het akkoord betrekking had.
In het kader van een WHOA-akkoord heeft de wetgever voor een andere oplossing gekozen (zie het hierna te bespreken art. 370 lid 2 Fw).3
Het is echter de vraag in hoeverre een dergelijke verhaalsvordering op de insolvente hoofdelijk schuldenaar toelaatbaar is. Verschillende auteurs achten het niet mogelijk dat de ‘derde’ wiens schuld niet door het akkoord wordt getroffen, op de insolvente hoofdelijk schuldenaar verhaal neemt voor een hoger bedrag dan waarvoor de schuldeiser op grond van het akkoord nog op die schuldenaar verhaal kon nemen.4 Voor zover het verhaal krachtens subrogatie betreft, is dit juist en spreekt dit vanzelf.5 Hij verkrijgt de vordering die hij geheel of gedeeltelijk voldeed dan in de door het akkoord gewijzigde vorm, omdat de rechtsgevolgen van het akkoord door de schuldenaar ook als verweermiddel inroepbaar zijn jegens zijn verhaalzoekende medeschuldenaar (art. 6:145 BW).6 Voor de regresvordering geldt dit echter niet. Ik zie dan ook geen reden waarom de wettelijke regresvordering dan niet verhaalbaar zou zijn op de schuldenaar waarop het akkoord betrekking had.
Tollenaar heeft de vraag opgeworpen hoe in het kader van een insolventieakkoord moet worden omgegaan met subrogatie in rechten die de schuldeiser aan het akkoord ontleent.7 Het gaat dan met name om de ‘drempel’ voor subrogatie.
Heeft schuldeiser A een vordering op hoofdelijk schuldenaren B en C tot betaling van € 1 miljoen, en wordt A’s vordering op B in het akkoord beperkt tot € 400.000, dan is het de vraag wat ervoor nodig is om C in deze vordering te doen subrogeren. Stel dat C een draagplicht heeft van 10% en dat B voor de overige 90% draagplichtig is. Wordt C gesubrogeerd indien C meer dan 10% van de schuld (dus € 100.000) voldoet aan A, of pas op een later moment, bijvoorbeeld indien A volledig is voldaan?
Aan dit probleem gaat de vraag vooraf hoe de bevrijdende werking van nakoming (art. 6:7 lid 2 BW) uitpakt. Van subrogatie in een vordering kan immers slechts sprake zijn voor zover een schuld is gedelgd voor meer dan het gedeelte dat de presterende schuldenaar aangaat,8 terwijl het hier besproken probleem zich evengoed voordoet als een hoofdelijk de schuldenaar de schuldeiser voldoet voor een bedrag dat zijn draagplicht niet overschrijdt. De vraag is dan ook eigenlijk op welke wijze een betaling door een andere hoofdelijk schuldenaar moet worden ‘toegerekend’ of ‘geïmputeerd’ aan de door het akkoord gewijzigde vordering. Komt die eerst in mindering op het afdwingbare deel of eerst aan het niet-afdwingbare deel van die vordering?
Schuldeiser A heeft een vordering op hoofdelijk schuldenaren B en C tot betaling van € 1 miljoen. Het insolventieakkoord ten aanzien van B voorziet in de omzetting van C’s verbintenis in een natuurlijke verbintenis voor € 600.000; zijn verbintenis is voor de overige € 400.000 nog afdwingbaar. C heeft een draagplicht van 10% en B van 90%. Betaalt C vervolgens € 600.000 aan A, dan verkrijgt hij voor € 500.000 aan verhaalsvorderingen jegens B. Deze betaling bevrijdt ook C (art. 6:7 lid 2 BW). Rekent men deze betaling van € 500.000 eerst toe aan het deel van C’s schuld aan A dat door het akkoord niet is aangetast (de € 400.000), dan neemt A’s vordering in zoverre dus af. A heeft dan niet langer een afdwingbare vordering jegens B, omdat zowel het afdwingbare deel van zijn vordering op C teniet is gegaan, als een deel van het niet-afdwingbare deel van € 600.000 (namelijk € 100.000). Rekent men deze betaling van € 500.000 echter eerst toe aan het niet-afdwingbare deel van A’s vordering op C, dan heeft A nog steeds € 400.000 te vorderen van C, omdat slechts het niet-afdwingbare deel van A’s vordering is afgenomen (van € 600.000 tot € 100.000).
Voldoet C in dit voorbeeld niet € 600.000 aan A, maar € 5.000, dan betaalt C niet meer dan zijn draagplicht. Hij kan dan dus niet worden gesubrogeerd in A’s rechten jegens B (art. 6:12 lid 1 BW). Niettemin is ook dan de vraag of de door C betaalde € 5.000 eerst in mindering komt op het niet-afdwingbare deel van A’s vordering op B, op het wél afdwingbare deel daarvan (of op beide delen).
Voor Tollenaar is het problematische van subrogatie in de (afdwingbare) rechten onder het akkoord dat als een dergelijke subrogatie mogelijk is (zonder dat de hele vordering van de schuldeiser van vóór het akkoord volledig is voldaan), de schuldeiser “per saldo weinig opschiet” met de betaling door een hoofdelijk medeschuldenaar.9 Voor zover hij van de insolvente schuldenaar onder het akkoord nog enige betaling kon afdwingen, kan hij dat na betaling door een hoofdelijk medeschuldenaar (in zoverre) immers niet meer. Voor ieder bedrag dat de niet-insolvente hoofdelijk schuldenaar dan aan de schuldeiser voldoet, wordt dan een deel van de vordering van de schuldeiser ‘afgesnoept’.10 Vanuit het perspectief van de schuldeiser wordt hij dus eerst op zijn vordering gekort door het akkoord, en vervolgens raakt hij de door het akkoord gewijzigde vordering kwijt door betaling door een andere hoofdelijk schuldenaar.
Dat klinkt wellicht sneu voor de schuldeiser, maar dat is bij nader inzien niet het geval. Hoofdelijkheid biedt de schuldeiser de mogelijkheid om indien een van zijn schuldenaren geen verhaal biedt, zich in beginsel onverkort te verhalen op een of meer andere hoofdelijk schuldenaren.11 Dat betekent dat wanneer een hoofdelijk schuldenaar insolvent is en zijn schuldenlast door een insolventieakkoord wordt beperkt, dit in beginsel geen gevolgen heeft voor zijn vorderingen op andere hoofdelijk schuldenaren (art. 160 Fw). Maakt de schuldeiser vervolgens gebruik van het hem toekomende recht op een andere hoofdelijk schuldenaar aan te spreken (art. 6:7 lid 1 BW), dan heeft een aldus aan hem verrichte betaling ook bevrijdende werking jegens de insolvente schuldenaar (art. 6:7 lid 2 BW). De keerzijde van de bevrijdende werking is dat de hoofdelijk medeschuldenaar vervolgens verhaalsvorderingen verkrijgt op de insolvente schuldenaar (binnen de grenzen van art. 6:10 e.v. BW). Buiten faillissement malen we er ook niet om dat een betaling door een hoofdelijk medeschuldenaar ook de vorderingen van de schuldeiser op andere hoofdelijk schuldenaren teniet doet gaan (art. 6:7 lid 2 BW). De redenering van Tollenaar lijkt erop te berusten dat het minder rechtvaardig zou zijn om de vordering van de schuldeiser door de betaling teniet te laten gaan, dan om de hoofdelijk medeschuldenaar zijn verhaal krachtens subrogatie te ontzeggen. In feite acht hij de restvordering van de schuldeiser dan dus sterker dan de (toekomstige) verhaalsvordering(en) van de hoofdelijk medeschuldenaar, terwijl die juist “op gelijke voet” staan.12
Tegelijkertijd betekent dit niet zonder meer dat subrogatie in de rechten van de schuldeiser eerst betrekking heeft op onder het akkoord afdwingbare aanspraken, en pas dan op zijn niet langer afdwingbare aanspraken. Voor deze toerekeningsvraag bestaat voor zover ik weet geen rechtsregel. Art. 6:43 BW regelt weliswaar de toerekening van een betaling door de schuldenaar aan een van meerdere verbintenissen, maar hier is het probleem dat het gaat om toerekening binnen een en dezelfde verbintenis, waarbij betaling niet plaatsvindt door de (insolvente) schuldenaar, maar een hoofdelijk met hem verbonden medeschuldenaar. Ook indien men dit artikel naar analogie zou toepassen (of men de verschillende delen van de verbintenis jegens de schuldeiser zou behandelen als twee verbintenissen), biedt deze bepaling geen duidelijke uitkomst. Daarbij is vooral het probleem dat niet duidelijk is of het begrip ‘schuldenaar’ ziet op de insolvente schuldenaar, of op de hoofdelijk met hem verbonden medeschuldenaar, terwijl zij doorgaans tegenovergestelde belangen hebben.
In het kader van lid 1 is het de vraag of de insolvente schuldenaar mag aanwijzen op welk deel van zijn verbintenis de betaling door zijn medeschuldenaar betrekking heeft, of dat zijn hoofdelijk medeschuldenaar dat mag. De insolvente schuldenaar zal willen dat het betaalde bedrag eerst in mindering komt op het jegens afdwingbare deel; voor de betalende medeschuldenaar is het daarentegen prettiger als het in mindering komt op het niet-afdwingbare deel, omdat de insolvente schuldenaar dan door de schuldeiser nog kan worden aangesproken voor een groter deel van de schuld. In het kader van het criterium van ‘bezwarendheid’ in lid 2, speelt dezelfde vraag.
In de kern komt de vraag naar het moment van subrogatie neer op een risicoverdeling tussen de schuldeiser enerzijds en de niet-insolvente hoofdelijk schuldenaren anderzijds. In een systeem waarin de aanspraken van de schuldeiser jegens hoofdelijk verbonden medeschuldenaren door het akkoord niet worden geraakt (zoals dat van art. 160 Fw), past het mijns inziens echter niet om de rechten van die hoofdelijk medeschuldenaren wél te korten door de drempel voor subrogatie te verhogen. Ook in geval van een insolventieakkoord ten aanzien van een hoofdelijk schuldenaar worden andere hoofdelijk schuldenaren mijns inziens dus gesubrogeerd indien en voor zover zij meer voldoen dan hun draagplicht. Wel verkrijgt de gesubrogeerde hoofdelijk schuldenaar uiteraard niet meer of sterkere rechten dan de schuldeiser zelf had jegens de schuldenaar waarop het akkoord betrekking had, omdat de rechtsgevolgen van het akkoord door de (voormalig) failliet ook kunnen worden ingeroepen jegens zijn medeschuldenaar die zich krachtens subrogatie op hem wenst te verhalen (art. 6:145 BW). De hoofdelijke aansprakelijkheid brengt mee dat de schuldeiser zich op verschillende verhaalsvermogens kan verhalen, maar laat de bevrijdende werking van betaling (art. 6:7 lid 2 BW) onverlet. Bovendien mag niet worden vergeten dat de hoofdelijk verbonden medeschuldenaar door de schuldeiser nog voor het restant kan worden aangesproken. Ik meen dan ook dat de drempel voor subrogatie na een insolventieakkoord geen andere is dan buiten faillissement geldt (art. 6:12 lid 1 BW).
Voortbordurend op hetzelfde voorbeeld, brengt dit mee dat de betaling van€ 500.000 door C aan A in mijn ogen eerst moet worden toegerekend aan het deel van A’s vordering op B dat ook onder het akkoord nog afdwingbaar is (€ 400.000) en pas daarna aan het niet langer afdwingbare deel daarvan (€ 600.000). Dit betekent dat door de betaling niet langer sprake is van een afdwingbaar deel (omdat de betaling van € 500.000 groter is dan de nog afdwingbare € 400.000), en het niet afdwingbare deel afneemt tot € 500.000.
Omdat C zelf voor € 100.000 draagplichtig is, wordt C na zijn betaling voor€ 400.000 gesubrogeerd in de rechten die A jegens C kon afdwingen na het akkoord.
299. Gevolgen van insolventieakkoord voor hoofdelijk medeschuldenaren (regres). Omdat de regresvordering een nieuwe vordering betreft, wordt zij in beginsel niet aangetast door een insolventieakkoord dat tot stand komt vóórdat de hoofdelijk medeschuldenaar een regresvordering verkrijgt. Rechten jegens derden worden door het akkoord immers niet aangetast (art. 160 Fw), en de regresvordering die pas ná het akkoord tot stand komt, wordt daarin als nog toekomstige vordering niet meegenomen.13 Daarmee vormen regresvorderingen geregeld een pijnpunt in een herstructureringsprocedure,14 hetgeen voor de wetgever een reden is geweest om in het kader van WHOA-akkoord de uitoefening van regresvorderingen van na de homologatie van het akkoord uit te sluiten, en verhaal krachtens subrogatie slechts beperkt toe te staan (art. 370 lid 2 Fw).15
Om door middel van een insolventieakkoord toch ook een sanering van toekomstige regresvorderingen van medeschuldenaren te bewerkstelligen, zijn verschillende oplossingen denkbaar. Hiervoor besprak ik reeds de (meest verstrekkende) mogelijkheid om de schuldeiser – in de vorm van een consensueel akkoord – afstand te laten doen van zijn vordering jegens medeschuldenaren, of zich te verplichten gedeeltelijk afstand te doen door middel van een 6:14-clausule.16 Ook andere constructies zijn denkbaar. Zo zou men aan medeschuldenaren een recht van verzet of stemrecht kunnen toekennen in het kader van een akkoord, ook al hebben zij ten tijde van de totstandkoming daarvan nog geen regresvordering.17 De ontwerp-regeling van de WHOA voorzag in stemrecht voor de medeschuldenaar die in de toekomst mogelijk een regresvordering zou verkrijgen.18 Naar geldend recht bestaat die mogelijkheid niet voor zover het gaat om regresvorderingen die ten tijde van het tot stand brengen van het akkoord nog toekomstig zijn.19 Wél is het uiteraard mogelijk dat een hoofdelijk medeschuldenaar zichzelf in een positie brengt waarin hij een regresvordering heeft, zodat hij kwalificeert als ‘schuldeiser’ waarvoor het akkoord verbindend is (art. 157 Fw). Voldoet hij vóór de stemming over het akkoord de schuldeiser voor een groter bedrag dan waarvoor hij zelf draagplichtig is, dan verkrijgt hij een regresvordering op de schuldenaar waarop het akkoord betrekking heeft, voor zover die schuldenaar draagplichtig is (art. 6:10 lid 2 BW). Wordt zijn vordering in het faillissement toegelaten, dan is hij een schuldeiser die zijn stem kan uitbrengen (art. 143 lid 1 Fw).20 Een dergelijke regresvordering kan in het insolventieakkoord worden betrokken, zij het naar ik meen slechts voor zover zij op grond van art. 136 lid 2 Fw verifieerbaar is. Dit betekent dat de hoofdelijk medeschuldenaar de schuldeiser doorgaans volledig zal moeten voldoen (sub b), wil hij het stemrecht in het kader van een insolventieakkoord ‘naar zich toe trekken’, omdat tot dat moment de oorspronkelijke schuldeiser kan blijven opkomen voor – en stemmen op – zijn volledige vordering ten tijde van de faillietverklaring (art. 136 lid 1 jo. art. 157 Fw).