Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/4.7.7
4.7.7 De omstandigheden van het geval
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS511044:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Loth 2005, p. 682.
Asser/Vranken Algemeen deel *** 2005/96. Zie over ‘de omstandigheden van het geval’ het gehele hoofdstuk XII van het derde Algemeen deel.
Loth & Gaakeer 2005, p. 31.
Zoals in HR 16 juni 1989, NJ 1990/214 m.nt. M. Scheltema (Helmond/Ottenheijm) gebeurde, waarin het erom ging of de gemeente het vertrouwen had gewekt niet zonder nader bericht tot de tenuitvoerlegging van bestuursdwang over te gaan. De Hoge Raad overwoog dat het van de omstandigheden van het geval afhangt, of een zodanig vertrouwen mag bestaan. Vgl. HR 4 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1686 (Loods Midden-Drenthe), waarin het cassatieberoep tegen Hof Leeuwarden 18 juni 2008, ECLI:NL:GHLEE:2008:BD5682 (Loods Midden-Drenthe) werd verworpen.
Zie hierover Quist 2014, met name hoofdstuk 2. De introductie van een gezichtspuntencatalogus wordt wel gezien als het slaan van een brug tussen een algemene, open norm enerzijds en de casuïstiek van de praktijk anderzijds. Zie ook Drion 2008, p. 1635 en Knigge, Van Boom & De Keijser 2018, p. 270.
Vgl. eerder HR 6 april 1979, NJ 1980/34 m.nt. C.J.H. Brunner, AB 1979/356 m.nt. J.R. Stellinga (Reuvers/Zwolle of Kleuterschool Babbel) over achteraf onjuist gebleken uitlatingen van een wethouder en HR 24 juni 1983, NJ 1984/801 m.nt. M. Scheltema, AB 1983/548 m.nt. F.H. van der Burg (Gemeenteraadslid) over de terhandstelling van een brief aan een dagblad door een raadslid.
Ik ga er overigens van uit dat het in de beoordeling betrekken van de genoemde factoren wel imperatief is, in de zin dat de rechter daarop acht moet slaan. Vgl. Quist 2014, p. 63-64. Dit heeft mijns inziens tot gevolg dat de rechter materiële en/of processuele gevolgen kan verbinden aan het ontbreken van de betreffende vraagstelling (bijvoorbeeld op de voet van artikel 21 of 22 Rv of door middel van een rechterlijk (bewijs)vermoeden), nu de Hoge Raad een uitleg van het antwoord in het licht van die vraag eist. Vgl. Hof Den Haag 22 oktober 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:4556, r.o. 4.2 (Overzee/Zoeterwoude), waarin het ontbreken van de voorliggende brieven volgens het hof met zich bracht dat een zekere terughoudendheid op zijn plaats was bij de uitleg van de reactie van burgemeester en wethouders op die brieven. Dit oordeel bleef in stand in HR 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1683, NJ 2016/1 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, AB 2016/58 m.nt. A.H.J. Hofman & G.A. van der Veen, JB 2015/140 m.nt. S.A.L. van de Sande (Overzee/Zoeterwoude). Vgl. Hof Amsterdam 18 december 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BY7111, r.o. 4.16 (Veiligheidstrappenhuis Bunnik).
Zie bijvoorbeeld Barendrecht e.a. 2002, p. 31-38, De Kok 2002, p. 681-682, de conclusie van A-G Keus, onder 2.8, voor HR 24 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR4471 (Grasgroep/’s-Hertogenbosch), de conclusie van A-G Keus, onder 2.19, voor HR 12 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1130 (Bouwval Voorst), Roozendaal 2008, p. 243-244, Jansen 2013a, p. 66-67, Scheltema 2013, p. 261-262 en Scheltema & Scheltema 2013, p. 413-414. Zie ook de omstandigheden die N. van Triet noemt in haar noot bij Rb. Overijssel 27 september 2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:3757, BR 2017/106 (Oldenzaalse openingstijden).
Zie bijvoorbeeld Van Ravels 2004, p. 87, de conclusie van A-G Spier, onder 4.22, voor HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0219 (‘s-Hertogenbosch/Van Zoggel), Van Ravels 2012b, p. 224-225, Scheltema & Scheltema 2013, p. 413-414. Vgl. Rb. Zwolle-Lelystad 26 januari 2005, ECLI:NL:RBZLY:2005:AS3863, r.o. 3.24 (Lunchroom Lübeck/Zwolle) en Hof Arnhem 27 september 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BT2454, r.o. 5.8 (Overgangsrecht Voorst).
Zie ook de conclusie van A-G Spier, onder 4.23.2, voor HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0219 (‘s-Hertogenbosch/Van Zoggel).
Wellicht anders: H.C.W.M. Moesker in zijn annotatie bij HR 25 mei 2012, TBR 2012/8, p. 860 (‘s-Hertogenbosch/Van Zoggel). Het beperken van het aantal gezichtspunten in een catalogus lijkt er niet toe te leiden dat geen betekenis wordt toegekend aan feiten en omstandigheden die niet uitdrukkelijk als gezichtspunt in de catalogus zijn opgenomen maar wel bij de beslissing mogen worden betrokken. Zie Knigge, Van Boom & De Keijser 2018, p. 278.
Zie hierover Quist 2014, p. 80-81. Hij wijst ook een middencategorie aan: gezichtspunten waarbij uit een aantal genoemde opties moet worden gekozen.
Een gesloten gezichtspunt kan overigens snel een open gezichtspunt worden, indien niet de vraag wordt gesteld óf kosten in rekening zijn gebracht, maar de (vervolg-) vraag hoeveel kosten in rekening zijn gebracht.
De derde vraag is wanneer het verstrekken van onjuiste informatie precies onrechtmatig is.
Met de regel dat voor het oordeel dat de overheid onrechtmatig heeft gehandeld, nodig is dat de belanghebbende redelijkerwijs erop heeft mogen vertrouwen dat hem juiste en volledige inlichtingen met een bepaalde inhoud werden gegeven, heeft de Hoge Raad een uniforme, algemene, open en vage norm in het leven geroepen. Hiermee wordt bereikt dat in de lagere rechtspraak van één criterium wordt uitgegaan. Loth noemt dit ‘eenheid van gronden.’1 Dit draagt bij aan de rechtszekerheid en rechtseenheid omdat rechterlijke beslissingen beter voorspelbaar worden en omdat partijen en advocaten hun standpunten en stellingen kunnen aanpassen op de te hanteren maatstaf. Men zou hiertegenover kunnen stellen dat afbreuk wordt gedaan aan deze voorspelbaarheid doordat de Hoge Raad slechts heeft overwogen dat het antwoord op de vraag óf onrechtmatig is gehandeld, afhangt van de omstandigheden van het geval. De erkenning dat de omstandigheden van het geval relevant kunnen zijn, is een uitvloeisel van het contextualisme: het inzicht dat verschijnselen uitsluitend in de context van de omstandigheden van het geval of van het perspectief waaronder ze worden benaderd, gekend en begrepen kunnen worden.2 De mogelijke relevantie van alle omstandigheden van het geval duidt op een grotendeels casuïstische rechtsvinding, die is gericht op de billijkheid in concreto.3 Hierin zijn alle (niet: sommige) denkbare feiten en omstandigheden mogelijk essentieel voor de beoordeling van het geschil.
De Hoge Raad heeft in het arrest ‘s-Hertogenbosch/Van Zoggel echter niet volstaan met het oordeel dat alle omstandigheden van het geval relevant zijn,4 in die zin dat de rechter op voorhand geen omstandigheden buiten beschouwing mag laten. Uit het arrest blijkt namelijk dat onder de omstandigheden van het geval ‘in de eerste plaats de inhoud van het gedane verzoek en hetgeen de gemeente daaromtrent heeft moeten begrijpen, en de aard en inhoud van de door de gemeente in antwoord daarop gegeven inlichtingen en hetgeen de belanghebbende daaromtrent heeft moeten begrijpen’ relevant zijn. Dat deze omstandigheden specifiek worden genoemd, geeft aan dat het factoren betreft die in het bijzonder van belang zijn. Zij moeten worden beoordeeld vóór de overige omstandigheden van het geval, die ook in het licht van de benoemde factoren moeten worden bezien. De beoordeling van een concreet geval heeft hiermee een aangrijpingspunt, van waaruit de overige omstandigheden van het geval kunnen worden ingepast in de beoordeling. Met het benoemen van enkele relevante factoren heeft de Hoge Raad een zogenoemde gezichtspuntencatalogus aangelegd,5 zij het een beperkte.6
Men zou kunnen menen dat de Hoge Raad een té beperkte gezichtspuntencatalogus heeft geformuleerd, in de zin dat de Raad niet ver genoeg is gegaan door slechts enkele relevante factoren te benoemen die in de eerste plaats van belang zijn, hoezeer uit het gebruik van de woorden ‘waaronder in de eerste plaats’ ook blijkt dat deze factoren niet limitatief zijn bedoeld.7 In de literatuur worden namelijk ook andere omstandigheden aangewezen dan die welke de Hoge Raad in de eerste plaats van belang acht,8 en zijn pogingen ondernomen om meer uitputtende gezichtspuntencatalogi samen te stellen.9 Het valt echter toe te juichen dat de Hoge Raad ervoor heeft gekozen om geen ‘hard and fast rules’ of een meer uitputtende gezichtspuntencatalogus te formuleren.10 De realiteit is dat het niet mogelijk is om alle relevante factoren te schetsen. Zou dit wel mogelijk zijn, dan is daarmee nog niets gezegd over de uitkomst van de toets van die omstandigheden aan de norm dat een gerechtvaardigd vertrouwen aanwezig moet zijn. De uitkomst van die toets hangt af van de verschillende – relevante – omstandigheden van het concrete geval, en vergt zowel een selectie als een onderlinge weging daarvan. In alle gevallen zal dus moeten worden volstaan met een opsomming van de meest voorkomende of de meest in het oog springende omstandigheden.
In dit licht valt alleszins te begrijpen dat de Hoge Raad heeft volstaan met het aanwijzen van de factoren die vooreerst in de beoordeling moeten worden betrokken, zonder andere relevante factoren uit te sluiten.11 In navolging van de Hoge Raad, laat ook ik het overnemen van de – in de literatuur – beschreven omstandigheden en catalogi achterwege. Ik volsta met de constatering dat veelal een mix van open en gesloten gezichtspunten wordt gepresenteerd.12 Gesloten gezichtspunten kunnen eenvoudigweg met ‘ja’ of ‘nee’ worden beantwoord. Afhankelijk van het gezichtspunt en de wijze van het formuleren daarvan pleit een dergelijk antwoord duidelijk voor het aannemen van gerechtvaardigd vertrouwen in een bepaald geval, of juist daartegen. Een voorbeeld van een gesloten gezichtspunt is de vraag of voor het verstrekken van de informatie kosten in rekening werden gebracht aan de burger, bijvoorbeeld in de vorm van leges voor de behandeling van een principeverzoek.13 Er zijn ook open gezichtspunten, die een beschrijving van de feiten vergen. Afhankelijk van die beschrijving en in samenhang met de overige omstandigheden van het geval is denkbaar dat hetzelfde open gezichtspunt in het ene geval pleit voor het aannemen van aansprakelijkheid, en in het andere juist daartegen. Een voorbeeld van een open gezichtspunt is de omvang van het betrokken financiële belang (zie daarover paragraaf 4.7.13).