Einde inhoudsopgave
De beursvennootschap, corporate governance en strategie (IVOR nr. 120) 2020/6.2.2
6.2.2 Het convocatierecht en de geautoriseerde bijeenroeping
mr. S.B. Garcia Nelen, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. S.B. Garcia Nelen
- JCDI
JCDI:ADS232603:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Het percentage van 10% kan statutair worden verlaagd, maar niet worden verhoogd.
Schwarz, GS Rechtspersonen 2019/20, art. 2:111, aant. 1. Zie voor de termijnen ook de aanhef van artikel 2:115 lid 1 jo. 2 BW. Bij een beursvennootschap moet de voorzieningenrechter daarbij mijns inziens ten minste de Europese minimumtermijn van 21 dagen uit de Aandeelhoudersrichtlijn aanhouden. In dezelfde zin: Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/34, met nadere verwijzingen.
Dortmond, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013/206.
Idem.
Par. 4.10 concl. A-G Timmerman bij HR 20 april 2018, NJ 2018/331, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2018/142, m.nt. A.F.J.A. Leijten (Boskalis/Fugro).
§211(d) DGCL. Zie ook: Kraakman e.a. 2017, par. 3.2.2.
Ik ga hier gezien de thematiek van dit boek niet verder in op technische problematiek zoals de (dubbel)telling en de momenten waarop aan de drempel moet zijn voldaan.
Overkleeft, MvO 2017/10.2, par. 4. Zie Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/33c voor een uiteenzetting van verschillende praktijkgevallen.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/33. Zie ook: Kamerstukken II 1926/27, 27, nr. 2, p. 7.
Zie Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/33a en 33e, met uitgebreide verwijzing naar vindplaatsen in de literatuur. Zie ook Dumoulin 1999, p. 136. Zie anders: Rb. Amsterdam (vzr.) 10 augustus 2017, JOR 2017/260, m.nt. R.G.J. Nowak (Elliott/AkzoNobel), r.o. 4.5, waarover instemmend Timmerman, TvOB 2018/1, voetnoot 4.
Artikel 2:111 lid 1 BW, eerste zin: “De voorzieningenrechter van de rechtbank verleent, na verhoor of oproeping van de naamloze vennootschap, de verzochte machtiging,indiendeverzoekerssummierlijkhebbendoenblijken, dat de in het vorige artikel gestelde voorwaarden zijn vervuld, en datzijeenredelijkbelanghebbenbijhethoudenvandevergadering. [onderstreping SBGN]”. Zoals Dumoulin 1999, p. 136 uitlegt ziet “summierlijk hebben doen blijken” ook op het gedeelte achter de laatste komma, omdat het laatste zinsdeel anders geen werkwoordsvorm bevat.
Rb. Amsterdam (vzr.) 10 augustus 2017, JOR 2017/260, m.nt. R.G.J. Nowak (Elliott/ AkzoNobel), r.o. 4.5. Zie tevens afwijzend: par. 7 van de annotatie van Nowak bij deze uitspraak en Oostwouder & Schrooten 2018, O&F 2018/3, par. 2.
Dumoulin 1999, p. 136.
Zie ook: Schwarz, GS Rechtspersonen 2019/20, art. 2:110 BW, aant. 1 en Dumoulin 1999, p. 136.
In dezelfde zin: Oostwouder & Schrooten 2018, O&F 2018/3, par. 4.
Kamerstukken II 2001/02, 28 179, nr. 5, p. 49. Zie anders: Oostwouder & Schrooten 2018, O&F 2018/3, par. 2, die menen dat de voorzieningenrechter de agenda zal vaststellen.
Oostwouder & Schrooten 2018, O&F 2018/3, par. 2.
Artikel 2:109 BW.
Koelemeijer 1999, p. 84.
Zie over het statutaire instructierecht en de verhouding tot de bestuursautonomie ook: Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/152-159.
Zie ook de polemiek tussen Eikelboom en Overkleeft hierover: Eikelboom, MvO 2017/10.1; Overkleeft, MvO 2017/10.2; en Eikelboom, ‘Naschrift naar aanleiding van: ‘Reactie: convocatierecht en agenderingsrecht – een rechtspolitieke wens als vader van Eikelbooms gedachten’’, MvO 2017/10.3.
Zie paragraaf 6.2.1 van dit proefschrift. Volgens Eikelboom, MvO 2017/10.3, par. 2 moeten artikelen 2:110-111 BW deels richtlijnconform worden uitgelegd. Zie in dezelfde zin par. 13 van de annotatie van Nowak bij Rb. Amsterdam (vzr.) 10 augustus 2017, JOR 2017/260, m.nt. R.G.J. Nowak (Elliott/AkzoNobel). Dat volgt wat mij betreft echter niet direct uit artikel 6 lid 1 van de Aandeelhoudersrichtlijn. In de hierna door mij voorgestelde oplossing is dat ook niet nodig; het bestuur en de raad van commissarissen zal bij afwijzing van een BAVA-verzoek alsnog de voorgestelde agendapunten punten dienen te beoordelen op grond van artikel 2:114a BW.
Zie ook: Overkleeft, MvO 2017/10.2, par. 3.
Overkleeft, MvO 2017/10.2, par. 3. Zie echter Peters & Eikelboom, WPNR 2017/7156, par. 6, die opmerken dat de taakvervulling van het bestuur en de raad van commissarissen met zich kan brengen dat een BAVA-verzoek niet wordt geweigerd wanneer een eventueel machtigingsverzoek door de voorzieningenrechter evident zal worden toegewezen, om te voorkomen dat de vennootschap onnodig in een procedure wordt betrokken. Daar staat, lijkt mij, tegenover dat het bestuur en de raad van commissarissen zelfs in dat soort gevallen mogelijk niet gehouden zijn mee te werken aan het faciliteren van een BAVA wanneer daar in hun visie goede redenen voor zijn.
Het kan voorkomen dat er volgens agenderingsgerechtigde aandeelhouders een urgente noodzaak bestaat tot het behandelen van bepaalde punten in een AV. In dat geval zullen zij veelal niet (slechts) een agenderingsverzoek doen, maar tevens verzoeken om een buitengewone AV (een BAVA) bijeen te roepen. Een verzoek tot het bijeenroepen van een BAVA moet schriftelijk zijn gedaan, onder nauwkeurige opgave van de te behandelen onderwerpen.1 Indien het verzoek is gedaan door aandeelhouders die ten minste 10% van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen, dan dienen het bestuur en de raad van commissarissen (in dit geval beide zelfstandig bevoegd) van een beurs-NV de nodige maatregelen te treffen, opdat de BAVA binnen acht weken na het verzoek kan worden gehouden.2 Dit betekent dat de bestuurders en commissarissen de BAVA binnen twee weken na het verzoek moeten oproepen, rekening houdend met de oproepingstermijn van ten minste 42 dagen voor beurs-NV’s.3 Indien noch het bestuur noch de raad van commissarissen hieraan voldoen, dan kunnen de aandeelhouders op hun verzoek door de voorzieningenrechter worden gemachtigd tot bijeenroeping van een BAVA.4 Indien de verzochte machtiging wordt verleend, dan stelt de voorzieningenrechter de vorm en de termijnen voor de oproeping tot de AV vast en kan hij iemand aanwijzen die de AV zal voorzitten. Hij kan bij het vaststellen van vormvoorschriften en oproepingstermijnen afwijken van de wet en de statuten.5 De aandeelhouders kunnen vervolgens op de door de voorzieningenrechter bepaalde wijze voor oproeping zorgdragen. Dit noemt men ook wel de geautoriseerde bijeenroeping.6 De bevoegdheid van aandeelhouders om een AV bijeen te laten roepen door het bestuur en de raad van commissarissen wordt wel aangeduid als het convocatierecht. Dit recht werd ingevoerd bij de Wet van 1929.7
Voorafgaand aan invoering van het agenderingsrecht in 2004 was dit de enige wijze voor aandeelhouders om direct invloed te kunnen uitoefenen op de agenda voor een AV.8
In Delaware hebben aandeelhouders niet standaard een recht om AV’s bijeen te (laten) roepen. Wel kan een dergelijk recht worden opgenomen in het certificate of incorporation of in de bylaws.9
De voorzieningenrechter verleent de verzochte machtiging, na verhoor of oproeping van de NV, indien de aandeelhouders summierlijk hebben doen blijken dat (a) de voorwaarden in artikel 2:110 BW zijn vervuld en (b) zij een redelijk belang hebben bij een vergadering.10 Aan het vereiste onder (a) is voldaan indien de aandeelhouders en certificaathouders gezamenlijk 10% van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen en zij het bestuur en de raad van commissarissen schriftelijk en onder nauwkeurige opgave van de te behandelen onderwerpen hebben verzocht een AV bijeen te roepen, maar deze AV niet binnen acht weken na het verzoek heeft plaatsgevonden. Dit is een feitelijke beoordeling en deze zal over het algemeen niet tot veel onduidelijkheid leiden.11 Het vereiste onder (b) is minder gemakkelijk vast te stellen. In de literatuur wordt verschillend gedacht over of het woord “summierlijk” in de wettekst ook ziet op het vereiste onder (b) en in de praktijk toetsen voorzieningenrechters niet altijd summierlijk.12 Het vereiste van een redelijk belang bestaat volgens de parlementaire geschiedenis om plagerijen tegen te gaan.13 De heersende leer is dan ook dat slechts summierlijk moet worden getoetst of verzoekers een redelijk belang hebben bij het verkrijgen van de gevraagde machtiging.14 Dit blijkt ook al uit de tekst van de wet.15 De heersende leer is mijns inziens ten onrechte niet gevolgd door de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam in de AkzoNobel-uitspraak, waar deze een uitgebreide belangenafweging toepaste.16 Een dergelijke uitgebreide belangenafweging kan geen rol spelen bij de totstandkoming van het oordeel over of verzoekers al dan niet beschikken over een redelijk belang. Bij de voorzieningenrechter is de vraag of de BAVA en de voorgestelde agendapunten wenselijk of redelijk zijn niet aan de orde.17 Een uitgebreidere belangenafweging kan achteraf wel een rol spelen bij de vraag of sprake kan zijn van vernietiging van het totstandgekomen besluit wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW.18 Het voorgaande is mijns inziens alleen anders voor zover de voorzieningenrechter een convocatieverzoek in uitzonderlijke gevallen in strijd acht met de artikelen 2:8 lid 2 en 3:13 lid 1 BW.19 Indien aandeelhouders gemachtigd worden tot bijeenroeping van een AV, bepalen zij de agenda.20 De voorzieningenrechter kan echter bepalen dat hij zelf de agenda vaststelt. In dat laatste geval zal de voorzieningenrechter waarschijnlijk de conceptagenda zoals die is aangeleverd door de verzoekende aandeelhouders tot uitgangspunt nemen.21
Overigens kan ook statutair de bevoegdheid tot het vaststellen van de agenda aan anderen worden verleend.22 Het is mijns inziens dan ook voorstelbaar dat een meerderheidsaandeelhouder de statuten laat wijzigen (aangenomen dat de AV statutair bevoegd is een statutenwijziging te initiëren) en zichzelf, althans elke aandeelhouder die een bepaald percentage van de aandelen houdt, bevoegd maakt tot het oproepen van de AV.23 Daarmee kan diezelfde meerderheidsaandeelhouder ook de agenda bepalen voor de AV die hij zelf oproept, waarbij in beginsel ook geldt dat degene die de agenda vaststelt bepaalt of een onderwerp als bespreekpunt of als stempunt wordt geagendeerd. Dat betekent dat deze aandeelhouder onderwerpen ten aanzien waarvan de AV niet bevoegd is kan agenderen als stempunten. Er komt in die gevallen overigens nog steeds geen besluit tot stand en het bestuur is niet gebonden aan de uitkomst van die stemming. Dat zal echter anders kunnen zijn als deze vindingrijke meerderheidsaandeelhouder de eerder genoemde statutenwijziging heeft aangegrepen om ook maar direct een instructierecht als bedoeld in artikel 2:129 lid 4 BW in te voeren.24
Ik maak nog enkele opmerkingen over de verhouding tussen het agenderingsrecht en het convocatierecht.25 Elk van deze bevoegdheden kent een eigen regeling en een eigen toetsingskader. Daarbij is relevant dat het agenderingsrecht een basis kent in de Aandeelhoudersrichtlijn en daarmee richtlijnconform moet worden uitgelegd, wat in de praktijk betekent dat slechts in uitzonderlijke gevallen beperkingen op grond van nationaal recht kunnen worden aanvaard.26 Het convocatierecht kent geen directe basis in de Aandeelhoudersrichtlijn.27 De artikelen 2:110-111 BW bevatten ook geen positieve verplichting voor het bestuur en de raad van commissarissen om tot bijeenroeping van een verzochte BAVA over te gaan.28 Dat neemt niet weg dat aandeelhouders die ten minste 10% van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen – en die dus voldoen aan de drempels van het agenderings- én het convocatierecht – in de praktijk veelal verzoeken een BAVA bijeen te roepen en daarbij een of meer onderwerpen te agenderen. Zij specificeren daarbij niet altijd op welke grondslagen zij hun verzoek baseren en dat zij, bij een eventuele afwijzing van het (primaire) convocatieverzoek, ook (subsidiair) een agenderingsverzoek indienen. Ik zou willen aannemen dat de redelijkheid en billijkheid in dat soort gevallen met zich kan brengen dat wanneer het bestuur en de raad van commissarissen oordelen dat een verzoek tot het houden van een BAVA moet worden afgewezen, zij alsnog moeten beoordelen of de aangedragen agendapunten dan (weliswaar niet in een direct op te roepen BAVA, maar) in een volgende door henzelf bijeengeroepen AV geagendeerd dienen te worden. De beoordeling van de voorgestelde agendapunten dient dan plaats te vinden op grond van het toetsingskader als gegeven in artikel 2:114a BW, welk artikel – zoals gezegd – richtlijnconform dient te worden uitgelegd en aan welk verzoek dus in beginsel zal moeten worden voldaan. Andersom kan, indien de agendapunten in het geheel niet worden opgenomen in een AV, vanzelfsprekend ook het BAVA-verzoek worden afgewezen. De aandeelhouders hebben dan geen belang bij die BAVA, aangezien er geen punten op de agenda staan.