Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/8.3.3.7
8.3.3.7 Intermezzo: iets over het kiezen van interpretaties van de wet
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS367297:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Timmerman, ‘Beginselen van bestuurdersaansprakelijkheid’ (WPNR 2016/7105) nr. 4, ‘Pragmatisch denken over afgeleide schade’, WPNR 2013/6962, par. 6 en zijn bespreking van de oratie van Van Veen, Ondernemingsrecht 2009/122, par. 1 en het verslag van Verdam van het Groningse congres Knelpunten in de vennootschapswetgeving, TVVS 1995/18, par. 8.
Hammerstein, ‘Rechtsvorming door de rechter is onvermijdelijk’, AA 2009, p. 673.
Van Schilfgaarde 2016, par. 8.
Zie omtrent een eerdere mislukte poging in een definitieve overdracht van aandelen in de enquêteprocedure mogelijk te maken: Kamerstukken II 32887, nr. 6, p. 5 en 6. Zie ook Schmieman die met zoveel woorden stelt dat de redenen voor het mislukken van deze poging geen hout sneden. In haar noot bij Rechtbank Amsterdam 16 januari 2016, JOR 2016/120 (Sovereign Trust) merkt Bulten op dat het na vier jaar eens tijd wordt dat de wetgever woord houdt ten aanzien van zijn toezeggingen iets te doen aan deze situatie.
Nota bene ook door Timmerman (in zijn conclusie bij HR 23 maart 2012, NJ 2012/393m.nt. Van Schilfgaarde, JOR 2012/141 m.nt. Josephus Jitta en Barkhuysen (e-Traction-II)).
De in par. 8.3.3.6 genoemde literatuur is aanleiding voor een opmerking over het beoefenen van de rechtswetenschap. Als het gaat om nog niet beantwoorde rechtsvragen, komt het geregeld voor dat de wet op verschillende manieren kan worden geïnterpreteerd. Om uiteindelijk te bepalen welke interpretatie de juiste is, speelt niet alleen de logica een rol en de vraag of een interpretatie zich verhoudt tot het systeem van de wet en de jurisprudentie, maar ook wat de meest wenselijke uitkomst is. Timmerman formuleert dit puntig door te stellen dat de rechtswetenschap een “willenschap” is.1 Hammerstein gaat nog een stapje verder door te betogen dat rechtsontwikkeling door de rechter – anders gezegd: het toepassen van de wet op een wijze die niet (geheel) consistent is met het hetgeen eerder bekend was over het recht -gerechtvaardigd is, indien de rechter moet beschermen tegen wat de wetgever verkeerd heeft gedaan.2 Van Schilfgaarde stelt dat de rechter moet ingrijpen waar de politiek iets laat liggen.3 Daarvan is sprake, omdat een wetgevingstraject op dit vlak reeds is gestrand en een tweede traject al jaren niet van de grond lijkt te komen.4
In dat licht kan ik niet goed begrijpen waarom enerzijds in de rechtsliteratuur wordt betoogd dat de wetgever het mogelijk zou moeten maken in de enquêteprocedure aandeelhouders definitief van elkaar kunnen worden gescheiden, mede gegeven het feit dat de wetgever niet tot een behoorlijk functionerende geschillenregeling is gekomen, en anderzijds veelal dezelfde auteurs afwijzend staan tegenover een interpretatie van de wet die er toe leidt dat het nu reeds mogelijk is om aandeelhouders definitief van elkaar te scheiden in de enquêteprocedure.
De desbetreffende literatuur doet mij veelal denken aan kerkvader (of Sint) Augustinus. Augustinus leefde in de vierde eeuw en wordt beschouwd als een van de grondleggers van de westerse traditie van het Christendom. Hij worstelde met het feit dat hij een bon vivant was. Dat vond hij lastig te verenigen met zijn geloof. Hij hoopte dat bidden daarin verandering kon brengen, maar toch eigenlijk ook weer niet. Hij staat bekend om zijn gebed: “Heer maak mij kuis, maar nu nog niet.” En zo is het ook met de tegenstanders van het definitief scheiden van aandeelhouders in de enquête-procedure. Ze willen dat dit mogelijk wordt, maar proberen dat moment uit te stellen door zich te verzetten – mijns inziens met onjuiste argumenten – tegen interpretaties van de huidige wet die dit nu reeds mogelijk maken.5 In plaats daarvan vestigen zij hun hoop op toekomstige ontwikkelingen, in plaats van “hulp van bovenaf” hopen zij op nieuwe wetgeving. Van Augustinus kan ik de weerzin tegen verandering nog wel begrijpen. Van de tegenstanders van het definitief scheiden van aandeelhouders niet.