Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/5.5.2.2b
5.5.2.2b Conclusie
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS300777:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Voetnoten
Voetnoten
In HR 21 juni 1995, nr. 30 485, BNB 1995/277 (noot Finkensieper), heeft de Hoge Raad al beslist dat de studentenvereniging niet kan worden aangemerkt als een besloten kring, waarop ondernemerschap zou kunnen afstuiten.
De praktijk leert dat de Belastingdienst meestal in dit standpunt meegaat.
Zie hierover HvJ EG 21 maart 2002, zaak C-174/00 (Kennemer Golf & Country Club), BNB 2003/30 (noot M.E. van Hilten). Ondanks het feit dat de Nederlandse regering het standpunt innam dat de contributie niet kan worden aangemerkt als de vergoeding voor aan de leden verrichte diensten omdat er een onvoldoende rechtstreeks verband is tussen de contributie en de door de vereniging verrichte diensten, beslist het Hof van Justitie EU anders: ‘(..) het gegeven dat de jaarlijkse contributie forfaitair is en niet is gekoppeld aan elk afzonderlijk gebruik van de golfbaan, (doet) niet af aan het feit dat over en weer prestaties worden uitgewisseld tussen de leden van een sportvereniging als die in het hoofdgeding en de vereniging zelf. De prestaties van de vereniging bestaan immers in de permanente terbeschikkingstelling aan haar leden van het sportcomplex en de daarbij behorende faciliteiten, en niet in de verrichting van individuele prestaties op verzoek van de leden. Er is dus een rechtstreeks verband tussen de jaarlijkse contributie van de leden van een sportvereniging als die in het hoofdgeding en de door deze vereniging verrichte prestaties.’ Als de contributie van een sportvereniging al kan worden aangemerkt als de vergoeding voor prestaties, dan nog wordt niet aan heffing toegekomen omdat de prestaties op grond van art. 11, lid 1, letter e, wet, zijn vrijgesteld. Met een verwijzing naar dit arrest neemt de staatssecretaris in het Besluit van 12 augustus 2004, nr. CPP2004/1357M, V-N 2004/42.22.het standpunt in dat de contributie van een kookvereniging belast is. Laatstgenoemd Besluit is bij Besluit van 29 augustus 2006, nr. CPP2006/1796M, Stcrt. 2006, 174 (V-N 2006/47.17). ingetrokken als zijnde te casuïstisch van aard.
Zie voor een vergelijkbare casus Rb. Haarlem, 12 oktober 2009, nr. 07/2827 (op 1 maart 2010 alleen nog gepubliceerd op www.rechtspraak.nl).
Het IJ-veren II-arrest is gewezen in 1987 maar handelde over een uit 1983 daterend verzoek om teruggaaf.
Het is niet gemakkelijk om op basis van de hiervoor besproken jurisprudentie een lijn te ontdekken in de criteria die de Hoge Raad gebruikt om te beoordelen of in een specifieke situatie de activiteiten zonder vergoeding van een ondernemer binnen de reikwijdte van het ondernemerschap vallen. In ieder geval stel ik vast dat het Radio-omroep II-arrest het laatste arrest is geweest waarin de Hoge Raad zich heeft afgevraagd of de prestaties zonder vergoeding worden verricht ter wille van enig daarmee gemoeid economisch belang. Dit was al een onduidelijk criterium en ik denk dat we het als afgeschreven moeten beschouwen.
Naar mijn mening kan een aantal vragen geformuleerd worden die in iedere specifieke situatie gesteld moeten worden. Van geval tot geval zal de rechter de antwoorden op deze vragen moeten zoeken en wegen om tot een uitkomst te komen. Ik noem hier de volgende vragen:
Worden de activiteiten zonder vergoeding verricht in kader van de organisatie door middel waarvan haar onderneming wordt uitgeoefend (cf. IJ-veren II en Brits Toeristenbureau)? Wordt bijvoorbeeld gebruik gemaakt van hetzelfde personeel en dezelfde bedrijfsmiddelen?
Wat is van de ondernemersactiviteiten enerzijds en de activiteiten zonder vergoeding anderzijds de hoofdactiviteit en wat is de nevenactiviteit (cf. Zeehondencrèche)?
In welke mate zijn de ondernemersactiviteiten en de activiteiten zonder vergoeding van elkaar afhankelijk (cf. Zeehondencrèche, Radio-omroep II, KNWV en VNLTO)?
Op welke wijze worden de activiteiten zonder vergoeding bekostigd (cf. Radio-omroep I en VNLTO)?
Zijn de ondernemersactiviteiten en de activiteiten zonder vergoeding naar maatschappelijke opvattingen één geheel, of juist niet (cf. Landgoed-arrest)?
Deze conclusie betreffende de vaststelling van de reikwijdte van het ondernemerschap werk ik hierna aan de hand van enkele voorbeelden verder uit.
In onderdeel 5.5.2.2c neem ik dezelfde voorbeelden als uitgangspunt bij de bespreking van de gevolgen van de wijziging van art. 15 wet per 1 januari 2007 voor de aftrek van voorbelasting.
Voorbeeld 1
Een studentenvereniging exploiteert een besloten sociëteit met een bar waarin de leden/studenten elkaar ontmoeten. De leden betalen contributie en voor de consumpties in de sociëteit. De vereniging exploiteert ook een discotheek en een eettafel die voor leden en niet-leden toegankelijk zijn. Bovendien organiseert zij regelmatig allerlei verenigingsactiviteiten voor de leden, waarvoor een afzonderlijke vergoeding betaald moet worden of die bekostigd worden uit de contributies en de winst van de overige activiteiten. De vereniging is ondernemer voor de btw1 en zij voldoet btw over de omzet van bar, discotheek en eettafel en over de entreegelden. Deze opbrengsten vormen ongeveer 80% van de totale opbrengsten. Over de contributies voldoet de vereniging geen btw. Zij meent dat de contributie niet kan worden aangemerkt als de vergoeding voor aan de leden verrichte diensten omdat er een onvoldoende rechtstreeks verband is tussen de contributie en de door haar verrichte diensten.2 De ‘primaire verenigingsactiviteiten’ worden gedeeltelijk bekostigd uit de winst die met de overige activiteiten wordt gemaakt.
Kan binnen de vereniging een niet-ondernemerssfeer onderkend worden? Naar mijn mening is dit niet het geval. De reden om een niet-ondernemerssfeer te onderkennen zou het feit zijn dat er niet-belastbare contributies worden ontvangen. Om een niet-ondernemerssfeer te onderkennen is het mijns inziens onvoldoende dat er niet-belastbare opbrengsten zijn. Het gaat om de activiteiten. Er moeten activiteiten of handelingen zijn die niet als economische activiteiten kunnen worden aangemerkt. In deze casus geeft het lidmaatschap en de daaraan verbonden contributie enkel het recht van toegang tot de sociëteit en het recht om deel te nemen aan de verenigingsactiviteiten. Het is echter moeilijk, zo niet onmogelijk, om ‘primaire verenigingsactiviteiten’ waarvan gezegd zou kunnen worden dat ze enkel bekostigd worden uit de contributies, te onderscheiden en los te zien van de overige economische activiteiten. Voor bijna al deze overige activiteiten moet afzonderlijk betaald worden en de opbrengsten dragen bij aan de financiering van de verenigingsactiviteiten.
Hier zou tegengeworpen kunnen worden dat het de leden toch in de eerste plaats te doen is om het lidmaatschap en de daaraan verbonden gelegenheid om deel te nemen aan het verenigingsleven (ontmoeten van andere leden in een gepaste omgeving waarin behalve het innemen van drank ook ruimte is voor andere activiteiten, zoals praten, lezen, biljarten enz.). Alle andere activiteiten vloeien daaruit voort en zijn daaraan ondergeschikt en zijn bovendien voor het grootste deel facultatief. In theorie zou het ook mogelijk zijn een vereniging van geheelonthouders te hebben. Dit roept dan de onontkoombare vraag op of de contributie inderdaad niet de vergoeding is voor een prestatie3.
Voorbeeld 2
Een stichting exploiteert een sociaal-wetenschappelijk onderzoeksinstituut. Zij verricht onderzoek uitmondend in publicaties, organiseert (gratis toegankelijke) lezingen en seminars. Zij ontvangt een forse basissubsidie van het Rijk die goed is voor ongeveer 60% van de totale opbrengsten. De overige 40% van de opbrengsten genereert het instituut door contractresearch, (tegen betaling toegankelijke) congressen en seminars en de verkoop van publicaties. De aan het instituut verbonden onderzoekers houden zich wisselend bezig met contractresearch en overig onderzoek. Het relatieve belang van contractresearch binnen de organisatie groeit jaarlijks. In haar presentatie naar buiten, bijvoorbeeld in het jaarverslag, prestenteert het instituut zich als één ongedeelde instelling, waarbij in de verslaggeving geen onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende soorten (althans qua financiering) onderzoek.
Dit is geen gemakkelijke casus.4 Weliswaar worden zowel de activiteiten tegen vergoeding als de overige activiteiten in het kader van dezelfde, geïntegreerd werkende organisatie verricht, dus met dezelfde mensen en dezelfde bedrijfsmiddelen, maar in afgeslankte vorm zou het instituut ook enkel onderzoek kunnen doen dat wordt bekostigd uit de subsidie. In die zin zou gezegd kunnen worden dat de ondernemers- en niet-ondernemersactiviteiten niet van elkaar afhankelijk zijn. Daar zou tegenover gesteld kunnen worden dat het instituut alleen in staat is om een groot aantal gespecialiseerde, hoogwaardige wetenschappers in dienst te hebben wanneer zij zichzelf tenminste gedeeltelijk bedruipen uit de opbrengsten van contractresearch. Er zal naar mijn mening op grond van een diepgaand feitenonderzoek een beoordeling moeten plaatsvinden of en zo ja, in welke mate de verschillende activiteiten met elkaar (organisatorisch en financieel) zijn verbonden.
Voorbeeld 3
Een gemeente heeft een gemeentelijk vervoerbedrijf (GVB). Onder het GVB ressorteren administratief en organisatorisch bus-, tram-, metro- en veerdiensten. Het GVB vervoert personen per bus, tram en metro tegen vergoeding. Het GVB brengt voor het overzetten van personen en voertuigen door de veren geen vergoeding in rekening. Op de veren wordt (tegen vergoeding) reclame gemaakt en in incidentele gevallen worden de veerponten tegen vergoeding ter beschikking van derden gesteld. Ten slotte worden bedragen ontvangen als vergoeding voor aan de veerponten of steigerwerken toegebrachte schade.
In het IJ-veren II-arrest heeft de Hoge Raad beslist dat de veerdiensten hebben te gelden als prestaties die in kader van de onderneming worden verricht. Daarmee stond onder art. 15, lid 1, wet (oud) vast dat het GVB de aan de veerdiensten toerekenbare voorbelasting in aftrek kon brengen. Nu de feiten sinds 19835 zo goed als ongewijzigd zijn gebleven zie ik geen reden waarom de Hoge Raad met betrekking tot de reikwijdte van het ondernemerschap thans een andere beslissing zou nemen.
Voorbeeld 4
Een stichting heeft tot doel de exploitatie van een bibliotheek, waarin boeken, cd’s en dvd’s worden uitgeleend. Leden betalen eenmalig entreegeld, jaarlijks abonnementsgeld en een leenvergoeding. Kinderen tot en met 17 jaar dienen zich op dezelfde wijze in te schrijven als alle andere leden, zij betalen ook entreegeld maar geen jaarlijks abonnementsgeld en ook geen leenvergoeding. Ongeveer 25% van het totale aantal uitleningen betreft uitleningen aan kinderen tot en met 17 jaar. De stichting is ondernemer voor de btw. Zij voldoet btw over entreegelden, abonnementen en leenvergoedingen, die regelmatig worden verhoogd. Behalve uit deze opbrengsten wordt de stichting gefinancierd door een niet-belastbare gemeentesubsidie. Deze subsidie dekt circa 40% van de totale kosten en is al jaren niet meer verhoogd.
Deze casus is erg vergelijkbaar met de hiervoor besproken veren-casus. De vraag of het ondernemerschap van de stichting zich ook uitstrekt tot het gratis uitlenen aan kinderen to en met 17 jaar moet daarom naar mijn mening dan ook bevestigend worden beantwoord. De hoofdactiviteit is het uitlenen van boeken tegen vergoeding. Het gratis uitlenen vindt plaats met gebruikmaking van dezelfde bedrijfsmiddelen (gebouw, IT-ondersteuning) en hetzelfde personeel als het tegen vergoeding uitlenen. Aldus is het gratis uitlenen een activiteit die plaatsvindt volledig in samenhang en geïntegreerd met het tegen vergoeding uitlenen en aldus binnen het kader van de organisatie door middel waarvan de onderneming wordt uitgeoefend. Het lijkt ook aannemelijk dat de met de gratis uitleen samenhangende kosten (steeds meer) bestanddeel zijn van de prijs van de belaste uitleen.