Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/10.2.5.2
10.2.5.2 Verwijt is hoogstpersoonlijk: geen vermoedens ontleend aan derden
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940698:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 9.3.4 en paragraaf 9.4.16.
HR 15 april 2011, V-N 2011/20.4, BNB 2011/207, NTFR 2011/946, r.o. 4.11.4 onder (i). Zie voorts paragraaf 9.3.3.3.2.
HR 1 december 2006, nr. 40 369 en 40 518, V-N 2006/62.4, BNB 2007/151, r.o. 3.5. Zie paragraaf 9.3.4.2 en (ten aanzien van de aansprakelijk gestelde bestuurder) paragraaf 9.3.4.5. Zie voorts Feteris 2002, p. 366 (met een onderbouwing tegen de achtergrond van de Salabiaku-criteria voor het gebruik van vermoedens).
Hof Den Haag 13 december 2022, V-N 2023/14.21, r.o. 5.5 (N.B. het oordeel over (de afwezigheid van) grove schuld is zinloos, aangezien voor de aangiftevergrijpboete van art. 67d AWR opzet is vereist).
Van Houte 2006, par. 3.
Dit nog afgezien van het probleem dat een gemiddelde weinig zegt. Waarom zou deze belastingplichtige niet juist een brutowinstpercentage hebben dat gelijk is aan de laagste waarneming in plaats van aan het gemiddelde van alle waarnemingen? Dat gemiddelde kan bovendien door een enkele uitschieter aanzienlijk vertekenen.
In de sfeer van de fiscale bestuurlijke boete geldt, net als in het strafrecht, het uitgangspunt dat het gemaakte verwijt hoogstpersoonlijk is.1 In de KBLux-zaken is dit aspect nadrukkelijk aan de orde gekomen in het kader van het afleiden van vermoedens uit vaststaande feiten. De Hoge Raad overwoog dat een vermoeden ontleend aan gegevens van zogenoemde meewerkers voor beboetingsdoeleinden niet bruikbaar is, nu die gegevens niet voldoende sterke aanwijzingen geven over de vraag of de boeteling zelf in elk van de jaren een rekening bij KBLux heeft aangehouden.2 De vraag of een weigeraar het beboetbare feit heeft begaan, kan dus niet worden beantwoord aan de hand van hetgeen andere belastingplichtigen (de meewerkers) hebben misdaan. Deze opvatting was in wezen reeds bekend uit de toerekeningsarresten van de Hoge Raad. Daaruit volgt immers dat aan het enkele feit dat een derde-gemachtigde met opzet of grove schuld heeft gehandeld, niet het vermoeden kan worden ontleend dat ook de belastingplichtige zélf verwijtbaar heeft gehandeld.3
Iets dergelijks geldt ook voor gevallen waarin in algemene zin is komen vast te staan dat er op grote schaal gefraudeerd is met valse kwitanties ter onderbouwing van de giftenaftrek. Het enkele feit dat (ook) de boeteling een dergelijke, valse kwitantie als bewijs heeft overgelegd, rechtvaardigt nog niet het vermoeden dat die boeteling ook daadwerkelijk zelf opzet of grove schuld heeft gehad (door bewust of ernstig nalatig deel te nemen aan de fraude).4
Van Houte heeft er in dit verband naar mijn mening terecht op gewezen dat correcties op grond van lage brutowinstmarges onbruikbaar zijn in de sfeer van de beboeting. De vaststelling dat de brutowinstmarges van een bepaalde belastingplichtige te laag zouden zijn, geschiedt immers door vergelijking met derden (het gemiddelde van een referentiegroep).5 Die vergelijking zegt niets over de situatie van de belastingplichtige zelf.6