Einde inhoudsopgave
Invloed van schuldeisers in insolventieprocedures (IVOR nr. 129) 2023/3.2.5
3.2.5 DA-beschikking
mr. H.J. de Kloe, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. H.J. de Kloe
- JCDI
JCDI:ADS708385:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten in verband met de introductie van een regeling betreffende de rechten van de werknemer bij overgang van een onderneming in faillissement (Wet overgang van onderneming in faillissement). Zie www.internetconsultatie.nl/overgang_van_onderneming_in_faillissement.
Zo ook B.I. Kraaipoel & S.F.H. Jellinghaus in hun annotatie bij de DA-beschikking van de Hoge Raad in Ondernemingsrecht 2017/121.
Gerechtshof Amsterdam (OK) 26 mei 2016, JOR 2016/286 (DA).
HR 2 juni 2017, JOR 2017/248 (DA).
Kritisch hierover zijn o.a. B.I. Kraaipoel & S.F.H. Jellinghaus en B. Barentsen in hun annotaties onder de DA-beschikking in respectievelijk Ondernemingsrecht 2017/121 en NJ 2017/453 en Schreurs 2018, p. 108-110.
HR 2 juni 2017, JOR 2017/248, r.o. 3.3.5 (DA).
Wessels 2008.
De DA-beschikking van de Hoge Raad, die inmiddels heeft geleid tot een voorontwerp waarin de positie van de ondernemingsraad wordt gecodificeerd,1 sluit ook aan bij de beweging om meer rekening te houden met maatschappelijke belangen in het faillissement.2 Waar de Ondernemingskamer van oordeel was dat het adviesrecht van de ondernemingsraad zich slecht met het faillissement laat rijmen en daarom niet aan de orde is in faillissement,3 oordeelde de Hoge Raad dat de Wet op de ondernemingsraden (WOR) door de curator nageleefd moet worden.4 Hoewel het adviesrecht naar het oordeel van de Hoge Raad alleen geldt als de onderneming wordt voortgezet of een doorstart wordt voorbereid,5 is duidelijk dat de curator rekenschap moet afleggen van de wijze waarop hij rekening houdt met de belangen van werknemers. Uit artikel 25 lid 3 WOR volgt immers dat de curator bij de adviesaanvraag moet vermelden welke gevolgen het besluit naar verwachting heeft voor de werknemers en de naar aanleiding daarvan voorgenomen maatregelen. Opvallend is dat de Hoge Raad overweegt dat de ondernemingsraad en de curator zich bij de verwezenlijking van de doeleinden van de WOR jegens elkaar moeten gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd.6 Dit sluit aan bij het pleidooi van Wessels voor doorwerking van de redelijkheid en billijkheid uit het verbintenissenrecht (art. 6:2 en 6:248 BW) in het insolventierecht.7