Einde inhoudsopgave
Morganatisch burgerschap 2019/4.2.1
4.2.1 Yaoundé I Overeenkomst en LGO-besluit I
mr. G. Karapetian, datum 16-12-2019
- Datum
16-12-2019
- Auteur
mr. G. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS181132:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1969-1970, 10 606 nr. 3, p. 3.
Ibid.
Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld de versoepelde invoer van LGO- producten tot de Gemeenschap zoals geregeld in de Toepassingsovereenkomst.
Deze omvatten: Boeroendi, Boven-Volta, Centraal Afrikaanse Republiek, Dahomey, Gabon, Ivoorkust, Kameroen, Kongo-Brazzaville, Kongo-Kinsjasa, Madagaskar, Mali, Mauretanië, Niger, Rwanda, Senegal, Somalia, Togo en tot slot Tsjaad. Zie Kamerstukken II 1969-1970, 10 606, nr. 3, p. 3.
In de Raad van de EEG is een onbeslecht meningsverschil geweest over de rechtsgrondslag van deze nieuwe Overeenkomst. Sommige lidstaten, zoals het Koninkrijk der Nederlanden, waren van mening dat de juridische basis van de Overeenkomst met de geassocieerde staten moest worden gezocht in art. 238 EEG-Verdrag. Dit artikel voorzag in het bijzonder in het aangaan van akkoorden met bijvoorbeeld derde staten of internationale organisaties. Andere lidstaten, zoals de Franse Republiek, waren de mening toegedaan dat de juridische basis van deze overeenkomst moest worden gezocht in Deel IV van het EEG-Verdrag, dat ongewijzigd van kracht was gebleven voor de LGO. In de ACS-Overeenkomst wordt, doordat dit meningsverschil niet kon worden opgeheven in de Raad van de EEG, noch voor de ene noch voor de andere opvatting gekozen. De preambule van de ACS-Overeenkomst 1964 vermeldt namelijk: “Gelet op het Verdrag tot oprichting van de E.E.G.” Het vermelden van een concrete rechtsgrondslag in het EEG-Verdrag wordt derhalve achterwege gelaten. Zie Kamerstukken II 1963-1964, 7535, nr. 3, p. 4. De Franse voorkeur om de rechtsgrondslag van de associatie met de ACS-staten te baseren op Deel IV van het EEG-Verdrag heeft denkelijk te maken met de omstandigheid dat de Franse Republiek meerdere ACS-staten alsnog beschouwde als geassocieerd aan de Franse staat. Daniel Dormoy, ‘Les pays et territoires d’outre-mer associés à l’Union européenne’, in: Laurent Tesoka, Jacques Ziller, Union européenne et outre-mers. Unis dans leur diversité, Presses universitaires d’Aix-Marseille 2008.
Op grond van art. 34 LGO-besluit 1964 treedt dit besluit op dezelfde datum in werking als het op 20 juli 1963 in Yaoundé ondertekende Interne akkoord betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap. Ingevolge art. 20, tweede alinea, van dit Akkoord, treedt dit Akkoord in werking op dezelfde datum als de eerste ACS-Overeenkomst.
Zo luidt Titel I van het LGO-besluit uit 1964 ‘Handelsverkeer’, evenals Titel I van de eerste Yaoundé Overeenkomst. Hoofdstuk 1 van het LGO-besluit en Hoofdstuk 1 van de Yaoundé Overeenkomst luiden beide ‘Douanerechten en kwantitatieve beperkingen’, waarbij art. 1 lid 1 LGO-besluit identiek is aan art. 2 lid 1 Yaoundé Overeenkomst.
Titel I, Hoofdstuk 1 van het LGO-besluit 1964 en Titel I, Hoofdstuk 1 Yaoundé Overeenkomst 1964.
Hoofdstuk 2 LGO-besluit 1964, Hoofdstuk 2 Yaoundé Overeenkomst 1964.
Hoofdstuk 3 LGO-besluit 1964, Hoofdstuk 3 Yaoundé Overeenkomst 1964.
Art. 39 ACS-Overeenkomst 1964.
Art. 40 ACS-Overeenkomst 1964.
Art. 45 ACS-Overeenkomst 1964.
Art. 50 ACS-Overeenkomst 1964. Deze Parlementaire Conferentie heeft op grond van art. 50, derde alinea, de bevoegdheid om resoluties vast te stellen over verschillende aangelegenheden die betrekking hebben op de EEG/ACS-associatie.
De President van het Arbitragehof wordt ingevolge art. 51 lid 2 door de Associatieraad benoemd.
Art. 51 lid 2 ACS Overeenkomst 1964.
Een ander verschil tussen beide regelingen is dat in het ACS-regime meerdere soorten maatregelen kunnen worden getroffen voor het fonds dat ter beschikking is gesteld voor de ACS-staten. Het bedrag uit het fonds voor de LGO kon worden aangewend op het gebied van de economische en sociale investeringen en op het gebied van algemene technische samenwerking. Voor de ACS-staten bestaat naast deze twee typen hulp ook de mogelijkheid van maatregelen die kunnen worden genomen op het gebied van diversificatie bij productie en tot slot op het gebied van de regularisatie van de prijzen. Art. 13 lid 1 LGO-besluit 1964; art. 16 lid 2 LGO-besluit 1964; art. 17 lid 3 jo. lid 4, ACS- Overeenkomst 1964; Kamerstukken II 1963-1964, 7535, nr. 3, p. 8 e.v.
Zoals hiervoor opgemerkt, diende de Raad voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de Toepassingsovereenkomst op 1 januari 1963 nieuwe bepalingen vast te stellen over de samenwerking tussen de LGO en de EEG. Een relevante verandering die optrad gedurende de jaren dat de Raad zijn eerste LGO-besluit diende vast te stellen, was dat de volkenrechtelijke status van de meeste LGO een ingrijpende wijziging onderging. Ter herinnering zij opgemerkt dat de LGO in 1957 voornamelijk Franse gebieden omvatten waarvan de staatsrechtelijke positie verschilde van de Franse overzeese departementen. In tegenstelling tot de overzeese departem1enten, waren de Franse LGO in beginsel niet geïntegreerd in het Franse metropolitaanse recht. De verstrekkende wijziging die de Franse LGO ondergingen in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw was dat zij onafhankelijk werden van moederland Frankrijk. Door de onafhankelijkheid van het merendeel van de destijds onder de LGO-regeling vigerende landen, rees binnen de Gemeenschap de vraag of de associatieregeling met de nieuw onafhankelijk geworden staten op de oude voet kon worden voortgezet. In oktober 1960 had de Raad te kennen gegeven de bijzondere associatie met de onafhankelijke geworden staten, die aanvankelijk dus onder het LGO-regime in de zin van Deel IV EEG-Verdrag en de daaraan gehechte Toepassingsovereenkomst vielen, te willen handhaven.2 Vrijwel alle net onafhankelijk geworden staten hadden, gezien de economische voordelen die een associatie met de EEG met zich bracht,3 de wens geuit geassocieerd te willen blijven met de EEG na hun onafhankelijkheid.
Aangezien bij beide partijen de wens bestond om met de ander te worden geassocieerd, werd aanvankelijk volstaan met het treffen van enkele procedurele maatregelen om de regeling in de Toepassingsovereenkomst in overeenstemming te brengen met de nieuwe situatie, waarbij de toenmalige LGO soevereine staten waren geworden onder het volkenrecht. Niettemin werd snel duidelijk dat de procedure die was uiteengezet in art. 136 EEG-Verdrag inzake de vernieuwing van de Toepassingsovereenkomst, niet te verenigen was met de nieuwe verhoudingen die waren ontstaan na het dekolonisatieproces. Op grond van art. 136, tweede alinea, diende de Raad overeenkomstig de bereikte resultaten en de beginselen die waren neergelegd in het EEG-Verdrag ‘met eenparigheid van stemmen de bepalingen [vast te stellen] voor een nieuwe periode’. Aangezien de meeste LGO hun onafhankelijkheid hadden verworven, werden zij logischerwijs op Gemeenschapsniveau niet meer vertegenwoordigd door de voormalige kolonisator. Omdat de nieuwe staten die geassocieerd wilden worden met de Gemeenschap in het geheel niet betrokken zouden worden bij de totstandkoming van een nieuwe associatieregeling indien gebruik zou worden gemaakt van de procedure ex art. 136 EEG-Verdrag, werd besloten om de associatieregeling met deze net onafhankelijk geworden staten vast te leggen in een nieuwe overeenkomst tussen de Gemeenschap enerzijds en de destijds achttien onafhankelijk geworden staten4 anderzijds.5 De voortzetting van de associatieovereenkomst kon namelijk alleen geschieden als er wilsovereenstemming zou worden bereikt tussen de Gemeenschap, de lidstaten en de geassocieerde staten.6
Na verschillende onderhandelingen tussen de EEG en deze staten, die begonnen in februari 1962, kon op 20 december de tekst van de Overeenkomst worden geparafeerd.7 De ondertekening van deze Overeenkomst vond plaats in Kameroen, te Yaoundé, op 1 juni 1964. Deze eerste Overeenkomst te Yaoundé had een looptijd van vijf jaar. Art. 60 Overeenkomst bepaalde dat één jaar voor het verstrijken van de Overeenkomst de partijen zouden nagaan op welke wijze invulling moest worden gegeven aan de relatie met de geassocieerde staten.
Niet geheel toevallig in dit kader is dat het eerste LGO-besluit ook op 1 juni 1964 in werking is getreden,8 terwijl de geldigheidsduur van de Toepassingsovereenkomst verliep op 1 januari 1963. Dit LGO-besluit behandelde de associatie met de niet-Europese landen en gebieden waarvan de volkenrechtelijke status sinds 1957 ongewijzigd was gebleven. Bijzonder aan het eerste LGO-besluit is dat dit besluit, institutionele bepalingen daargelaten, vrijwel identiek is aan de Overeenkomst van Yaoundé.9 De titel- en artikelindeling en tevens de inhoud die daaraan wordt gegeven kwamen voor beide regelingen nagenoeg overeen.10 Zowel de Yaoundé Overeenkomst als het eerste LGO-besluit uit 1964 kent overeenkomstige bepalingen inzake het handelsverkeer, in het bijzonder douanerechten en kwantitatieve beperkingen,11 inzake bepaalde landbouwproducten,12 de handelspolitiek,13 financiële en technische samenwerking,14 en het recht van vestiging, diensten betalingen en kapitaal.15 Daarnaast valt op dat ook de vrijwaringsclausules van beide regelingen overeenkomen. Indien ernstige verstoringen in een bepaalde sector van het economische leven van een LGO of een ACS optreden, of indien de externe financiële stabiliteit in gevaar wordt gebracht, kunnen vrijwaringsmaatregelen worden getroffen in afwijking van de gebruikelijke regeling in het LGO-besluit of de Yaoundé Overeenkomst.16 Verschillen tussen het LGO-regime en het ACS-regime uit 1964 zijn er ook, vooral op het gebied van de institutionele bepalingen. Een van deze verschillen is dat de ACS-Overeenkomst, in tegenstelling tot het LGO-besluit, nieuwe organen in het leven roept. De instellingen van de EEG/ACS-associatie zijn de Associatieraad, die wordt bijgestaan door het Associatiecomité, de Parlementaire Conferentie van de Associatie en tot slot het Arbitragehof van de Associatie.17 De Associatieraad bestaat uit de leden van de Raad en de Commissie van de EEG, en uit één lid van de regering van elke geassocieerde staat.18 Bij de vervulling van zijn taak wordt de Associatieraad bijgestaan door een Associatiecomité, dat bestaat uit een vertegenwoordiger van iedere EEG-lidstaat, een vertegenwoordiger van de Commissie van de EEG en een vertegenwoordiger van iedere geassocieerde staat.19 De Parlementaire Conferentie, die eens in het jaar bijeen komt, is samengesteld uit leden van het Europees Parlement en leden van de parlementen van de geassocieerde staten.20 Voorts valt met betrekking tot de ACS-Overeenkomst op dat deze voorziet in een Arbitragehof dat mogelijke geschillen inzake de uitleg of toepassing van de Overeenkomst tussen een EEG-lidstaat, meerdere lidstaten of de Gemeenschap enerzijds, en één of meer geassocieerde ACS-staten anderzijds kan beslechten. Dit Arbitragehof bestaat uit vijf leden, namelijk een president21 en vier rechters.22 Twee van de vier rechters worden benoemd op voorstel van de Raad van de EEG en de andere twee worden benoemd op voorstel van de geassocieerde staten. Het LGO-besluit van 1964 voorziet niet in een geschillenregeling tussen de LGO en de EEG, omdat de LGO in beginsel werden vertegenwoordigd door de EEG-lidstaat waar zij volkenrechtelijk gezien deel van uitmaakten.23 Aangezien de LGO worden vertegenwoordigd door de lidstaat waarvan zij deel uitmaken, is kwestieus of datgene wat de moederlidstaat voorstelt in de ogen van de LGO daadwerkelijk in hun belang is. In sommige gevallen kan een geschil daaromtrent worden beslecht door middel van gebruikmaking van nationaal recht.24
Zowel het LGO-besluit als de Overeenkomst met de geassocieerde staten had een looptijd van vijf jaar. Voor 1 juni 1969 dienden beide regelingen derhalve te worden ververst.25 Art. 60 Yaoundé Overeenkomst bepaalde dat één jaar voor het verstrijken van deze Overeenkomst, dus voor 1 juni 1968, de EEG en de geassocieerde staten zouden nagaan welke bepalingen zouden worden vastgesteld voor een nieuwe samenwerkingsperiode. Art. 37 LGO-besluit bepaalt alleen dat de Raad voor het verstrijken van de geldigheidsduur van het besluit een nieuw besluit dient vast te stellen voor de nieuwe relatie tussen de LGO en de EEG.