Einde inhoudsopgave
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/3.4.4
3.4.4 Neutraliteit en de verdeling van heffingsbevoegdheden
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx, datum 10-05-2011
- Datum
10-05-2011
- Auteur
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx
- JCDI
JCDI:ADS397635:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Omzetbelasting / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Internationaal belastingrecht / Voorkoming van dubbele belasting
Omzetbelasting / Plaats van levering en dienst
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie de achtste overweging van de considerans van de Eerste Richtlijn en HvJ 12 juni 1979, zaak 126/78, BNB 1980/2 (Nederlandse Spoorwegen), r.o. 7.
Zie Rapport van het Fiscaal en Financieel Comité, Uitgave van de Commissie van de Europese Economische Unie 1962, 8070/4/XII/1962/5 en het zogenoemde ABC-rapport, januari 1962.
Zoals hiervoor aangegeven is het neutraliteitsbeginsel van groot belang bij de verdeling van heffingsbevoegdheden tussen de landen en bijgevolg voor de regels voor de plaats van dienst en de invulling van de vier vestigingsplaats-vormen. In dit kader is de territoriale begrenzing van het beginsel van gelijke behandeling van groot belang. Binnen elk land moet op soortgelijke goederen en soortgelijke diensten dezelfde belastingdruk rusten.1 Van belang is wat onder ‘binnen elk land’ moet worden verstaan. Gaat het bijvoorbeeld om de levering van goederen en diensten die op het grondgebied van het betreffende land plaatsvinden of gaat het om de goederen en diensten die de consumenten binnen het grondgebied van dat land brengen en naar moet worden verondersteld ook binnen het grondgebied van dit land consumeren? In zijn oorspronkelijke opzet werd mijns inziens met ‘binnen elk land’ gedoeld op de goederen die het grondgebied van het land binnenkwamen en daar geleverd werden aan de consumenten. Bij het tot stand komen van de Eerste en Tweede Richtlijn werden diensten namelijk vrijwel ongemoeid gelaten en werd beoogd het door het cumulatieve cascadesysteem bestaande nadeel dat het onmogelijk was om te bepalen welke belastingdruk bij invoer op een goed moest rusten weg te nemen. Niet voor niets wordt ook gesproken van een gelijke belastingdruk ongeacht de lengte van het productie- en distributieproces. Aangezien bij cumulatieve cascadestelsels afhankelijk van de lengte van de productie- en distributieketen de belastingdruk verschilt, was het niet mogelijk bij invoer een nauwkeurig bepaalbaar percentage btw te heffen dat overeen kwam met de belastingdruk die op dergelijke goederen in het binnenland rustte.2 Indien we kijken naar het doel van het in paragraaf 2.3.2 besproken beginsel van gelijke behandeling dan is dat de voorkoming van verstoring van de mededinging als gevolg van de btw-heffing. Een consument zou bij zijn keuze tussen leveranciers van een bepaald goed of een bepaalde dienst niet door de btw-heffing mogen worden belemmerd het goed of de dienst bij de door hem gewenste leverancier te kopen en anderzijds niet gestimuleerd mogen worden het goed of de dienst af te nemen van een bepaalde leverancier (die vanuit een land opereert waar de btw-wetgeving gunstiger is). De leverancier mag op zijn beurt er niet van worden weerhouden om zijn producten in een ander land aan te bieden. Ook mogen lokale leveranciers niet worden benadeeld ten opzichte van een leverancier uit een ander land die onder een gunstiger btw-regime valt. Om dit te bereiken zou de btw die is verschuldigd voor een goed of dienst altijd gelijk moeten zijn ongeacht de plaats waar de consument het aanschaft en de plaats waar de leverancier van het product is gevestigd. Dit zal het meest nauwkeurig worden benaderd door een heffing in het land waar het verbruik plaatsvindt. Indien een in Nederland woonachtige consument in Luxemburg een goed gaat kopen, dit vervolgens meeneemt naar Nederland en daar zal verbruiken, is Nederlandse btw verschuldigd. Er zijn voor de consument dan geen redenen, andere dan dat die leverancier bijvoorbeeld een betere kwaliteit levert of een lagere prijs heeft, het product in Luxemburg in plaats van in Nederland aan te schaffen. Ook zal de Luxemburgse leverancier niet worden bevoordeeld of benadeeld ten opzichte van de Nederlandse leveranciers. Indien dezelfde consument uit Nederland bijvoorbeeld een kopje koffie drinkt op een Italiaans terras dan zal hij Italiaanse btw betalen. Hij hoeft ook geen Nederlandse btw te betalen om de mededinging te waarborgen. In Nederland gevestigde horecaondernemers zullen niet concurreren met deze Italiaanse horecaondernemer. Een zelfde conclusie zijn we reeds tegen gekomen in paragraaf 3.4.3 in de vergelijking met de in het internationale belastingrecht gehanteerde begrippen kapitaal export neutraliteit en kapitaal import neutraliteit. Aanknoping bij de woonplaats van de consument als zodanig is dus vanuit het perspectief van neutraliteit ook niet gewenst. Wel kan de woonplaats van de consument een goed criterium zijn om heffing in het land van verbruik te benaderen. Vanuit het perspectief van het neutraliteitsbeginsel zal dit dan altijd gepaard moeten gaan met een heffing in het land van de leverancier of dienstverrichter wanneer verbruik en besteding buiten het woonland plaatsvinden.
Ter waarborging van het beginsel van neutraliteit is het ook noodzakelijk dat voor leveringen van goederen en diensten die gemakkelijk op afstand kunnen worden verleend of die waarvan het gezien de waarde van het goed of de dienst loont om dit goed of deze dienst – ondanks de reiskosten – te gaan halen in een ander land, de regels voor de plaats van levering en de plaats van dienst ervoor zorgen dat deze leveringen en diensten te allen tijde worden belast in het land waar het verbruik plaatsvindt, wat meestal het woonland van de consument zal zijn. We zien ook dat de btw-richtlijn hier rekening mee houdt door bijvoorbeeld een regeling voor afstandsverkopen (art. 34 btw-richtlijn), een regeling voor langs elektronische weg verrichte diensten aan niet-belastingplichtigen door belastingplichtigen die buiten de EU zijn gevestigd (art. 58 btw-richtlijn (tekst vanaf 2010)) en de intracommunautaire verwerving van een nieuw vervoermiddel door een particulier (art. 2, eerste lid, onderdeel b, onder ii en tweede lid, btw-richtlijn).