Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/6.3.1
6.3.1 Inleiding
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS383384:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Bijvoorbeeld de noot J.M. Blanco Fernàndez bij Gerechtshof Amsterdam (OK) 17 januari 2007, JOR 2007/42 (Stork) en Buijs 2006. Een meer genunanceerd voorbeeld is Den Boogert 2005.
Zie bijvoorbeeld de noten van Maeijer bij HR 21 februari 2003, NJ 2003, 182 (HBG) en HR 18 april 2003, NJ 2003, 286 (RNA).
Onder meer Raaijmakers Th. 2004a (over de Code Tabaksblat), Raaijmakers Th. 2004c (over de Nota Modernisering Ondernemingsrecht) en Raaijmakers Th. 2006b (HR Forumbank ‘revisited’).
Bijvoorbeeld Timmerman 1999a, Timmerman 1999c, Timmerman 2000 en Timmerman 2003a (alle over de ontwikkeling van het moderne ondernemingsrecht). Zie voorts Timmerman 2001c (over ‘The End of History’ van Hansmann/Kraakman).
In deze zin ook Timmerman 2003d.
HR 13 juli 2007, NJ 2007, 434 m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2007/178 m.nt. M.P. Nieuwe Weme, Ondernemingsrecht 2007, 127 m.nt. M.J. van Ginneken (ABN AMRO).
HR 14 september 2007, NJ 2007, 610 m.nt. J.M.M. Maeijer en JOR 2007/237 m.nt.B.F. Assink (Versatel I), HR 14 september 2007, NJ 2007, 611 m.nt. J.M.M. Maeijer enJOR 2007/238 m.nt. S.M. Bartman (Versatel II) en HR 14 september 2007, NJ 2007, 612 m.nt. J.M.M. Maeijer en JOR 2007/239 m.nt. S.M. Bartman (Versatel III).
HR 14 december 2007, NJ 2008, 5 m.nt. J.M.M. Maeijer en JOR 2008/11 m.nt.A. Doorman (DSM).
HR 9 juli 2010, NJ 2010, 544 m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2010/228 m.nt. M.J. van Ginneken, Ondernemingsrecht 2010, 105 m.nt. P.M. Storm en AAe 2010-11 m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers (ASMI).
HR 4 april 2014, NJ 2014, 389 m.nt. P. van Schilfgaarde, Ondernemingsrecht 2014, 101 m.nt. A.F.J.A. Leijten (Cancun).
Naast de hierboven beschreven breuklijnen waren er ook constanten. Waar bij de hierboven beschreven breuklijnen sprake was van situaties waarin in het verlengde van de ontwikkelingen tussen 1999 en 2004 in de periode erna bepaalde onverwachte effecten aan de oppervlakte kwamen, was bij de constanten juist sprake van een zekere continuïteit. Een voorbeeld biedt de ondernemingsrechtswetenschap. Zoals hierboven beschreven leidden de veranderingen rond de positie van aandeelhouders in beursvennootschappen in wetgeving, rechtspraak en zelfregulering in de periode tussen 1999 en 2004 en de jaren onmiddellijk erna bij een aantal schrijvers tot verschuivingen in opvattingen, bijvoorbeeld over de vraag of het structuurregime moest worden gehandhaafd.1 Bij andere schrijvers lijkt weer sprake te zijn geweest van een proces waarin reeds gehouden opvattingen over bijvoorbeeld een meer op het aandeelhoudersbelang gerichte invulling van het vennootschappelijk belang onder invloed van nieuwe ontwikkelingen meer geprononceerd werden uitgedragen of scherper werden geformuleerd.2 Hier staat evenwel tegenover dat schrijvers als Maeijer,3 Raaijmakers173 en Timmerman4 in dezelfde periode in het licht van deze ontwikkelingen juist van een zekere continuïteit in hun opvattingen lieten blijken. Mede hierdoor hield de Nederlandse ondernemingsrechtswetenschap als geheel een zeker behoudend karakter. Ook in de politiek was op punten sprake van een zekere terughoudendheid in het wetgevingsproces. Illustratief is het feit dat het voorstel om het onderscheid tussen ‘oorlogstijd’ en ‘vredestijd’ in artikel 2:118a BW te schrappen het uiteindelijk ondanks de druk vanuit achtereenvolgens de Commissie Tabaksblat en het kabinet tot tweemaal toe niet heeft gehaald (zie §5.6.2 en §6.2.3). Deze terughoudendheid wijst ook in de richting van een continuïteit in opvattingen.
De belangrijkste constante in de ontwikkeling van het ondernemingsrecht voor beursvennootschappen in de jaren na 2004 betrof de jurisprudentie van de Hoge Raad. De Hoge Raad had met zijn beschikkingen in HBG en RNA al corrigerend opgetreden met betrekking tot de destijds door de Ondernemingskamer gehanteerde wijze van rechtsvorming via de open normen in het enquêterecht en in het vennootschapsrecht.5 De Hoge Raad zou deze lijn in 2007 doortrekken in zijn beschikking in ABN AMRO6 als ook in de beschikkingen inzake Versatel7 en DSM8 die kort daarna werden gewezen. Ook in de jaren erna handhaafde de Hoge Raad de eigen koers, wat met name tot uitdrukking kwam in zijn beschikkingen inzake ASMI (2010)9 en Cancun (2014).10 Met deze benadering bracht de Hoge Raad een correctie aan op de door de Ondernemingskamer geïnitieerde rechtsontwikkeling in het ondernemingsrecht voor beursvennootschappen in die zin dat de invoer van ‘nieuw recht’ via open normen zoals de redelijkheid en billijkheid in de context van enquêteprocedures aan banden werd gelegd.
Met name de beschikking van de Hoge Raad inzake ABN AMRO markeerde in meerdere opzichten een correctie op de wijze waarop de Ondernemingskamer de leemtes in normstelling in de verhouding tussen beursvennootschappen en hun aandeelhouders had ingevuld (zie §6.2.2 hiervoor). Ook vormt de ABN AMRO-beschikking van de Hoge Raad een brug tussen enerzijds de eerdere beschikkingen in RNA en HBG waarvan bepaalde dragende elementen ook in ABN AMRO waren overgenomen en anderzijds de latere beschikking zoals ASMI en Cancun die op belangrijke onderdelen op ABN AMRO voortbouwden. Om die redenen is een nadere analyse van deze beschikking aangewezen.