Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/3.3.3.1
3.3.3.1 Investeringsgoederen
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS303166:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Voetnoten
Voetnoten
In de casus van BNB 2008/53 werden goederen en diensten zowel voor bedrijfsdoeleinden als voor andere dan bedrijfsdoeleinden gebruikt. De Hoge Raad stelt prejudiciële vragen aan Hof van Justitie EU. De belangrijkste vraag die de Hoge Raad stelt is of etikettering mogelijk is bij alle goederen en diensten die een belastingplichtige gebruikt zowel voor bedrijfsdoeleinden als voor andere dan bedrijfsdoeleinden. De door de Hoge Raad gestelde vraag luidt als volgt: ‘1. Dienen de artikelen 6, lid 2, en 17, leden 1, 2 en 6, van de Zesde richtlijn zo te worden uitgelegd dat het een belastingplichtige is toegestaan niet alleen investeringsgoederen, maar alle goederen en diensten die worden gebruikt voor zowel bedrijfsdoeleinden als voor andere dan bedrijfsdoeleinden, volledig voor zijn onderneming te bestemmen en ter zake van de aanschaf van die goederen en diensten in rekening gebrachte btw onmiddellijk en volledig af te trekken?’
HvJ EG 12 februari 2009, zaak C-515/07, (VNLTO), BNB 2009/202 (noot B.G. van Zadelhoff).
Conclusie van A-G Mengozzi van 22 december 2008 in zaak C-515/07, V-N 2009/10.27.
De jurisprudentie van het Hof van Justitie EU heeft tot nu toe alleen betrekking op natuurlijke personen/belastingplichtigen. Het gebruik van de term ‘privévermogen’ zou kunnen doen vermoeden dat de etiketteringsleer ook alleen van toepassing is op natuurlijke personen/ belastingplichtigen. De Hoge Raad had in overweging 3.3.3. van BNB 2008/53 al gezegd dat het niet voor redelijke twijfel vatbaar is dat de verklaring voor recht van het Hof van Justitie EU in het Charles/Charles-Tijmens-arrest niet alleen geldt voor natuurlijke personen maar ook voor rechtspersonen. Uit noot 20 bij de conclusie van A-G Mengozzi maak ik op dat ter zitting het Hof van Justitie de Nederlandse regering ervan heeft weten te overtuigen dat art. 6, lid 2, eerste alinea, btw-richtlijn en daarmee dus de etiketteringsleer ook op rechtspersonen van toepassing is. In deze noot merkt de A-G het volgende op: ‘Er moet aan worden herinnerd dat artikel 4, lid 1, van de Zesde richtlijn het begrip belastingplichtige ruim definieert en dat bovendien artikel 6, lid 2, eerste alinea, ook gericht is op het gebruik van een goed of van een dienst voor de doelstellingen van het personeel van de belastingplichtige, welke elementen er beide voor pleiten om aan te nemen dat dit laatste artikel ook van toepassing is op onderworpen rechtspersonen, anders dan de Nederlandse regering betoogt in haar schriftelijke opmerkingen, die zij oordeelkundig na vragen van het Hof ter terechtzitting heeft rechtgezet. Ten slotte verzet het beginsel van fiscale neutraliteit zich ertegen dat marktdeelnemers die dezelfde handelingen verrichten, op het gebied van de btw-heffing verschillend worden behandeld; zie in die zin, naar analogie, het arrest van 7 september 1999, Gregg (C-216/97, Jurispr. blz. I-4947, punt 20).’
Zoals hiervoor al opgemerkt heeft Nederland investeringsgoederen gedefinieerd als: (a) onroerende zaken en rechten waaraan deze zijn onderworpen en (b) roerende zaken waarop de ondernemer voor de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting afschrijft, of waarop hij zou kunnen afschrijven indien hij aan een zodanige belasting zou zijn onderworpen. Waar de Hoge Raad in de hiervoor geciteerde overweging in BNB 2008/53 spreekt over niet-investeringsgoederen doelt hij dus op alle roerende zaken waarop niet wordt afgeschreven. Dat betekent dat de door de Hoge Raad gestelde prejudiciële vraag betrekking heeft op deze categorie roerende goederen en op alle diensten die gedeeltelijk voor bedrijfsdoeleinden en gedeeltelijk voor andere doeleinden worden gebruikt.
De tot nu toe door Hof van Justitie EU met betrekking tot etikettering gewezen jurisprudentie heeft alleen betrekking op investeringsgoederen. Uit de beantwoording door het Hof van Justitie EU van de door de Hoge Raad in BNB 2008/53 gestelde vragen zou hebben moeten blijken of de etiketteringsleer alleen van toepassing is op investeringsgoederen of ook op andere goederen en op diensten.1 Het VNLTO-arrest2 verschaft op dit punt echter geen opheldering. Het Hof van Justitie EU herformuleert de door de Hoge Raad gestelde vraag op een zodanige manier dat bij de beantwoording van de geherformuleerde vraag het Hof van Justitie EU de vraag naar de mogelijkheid om ook niet-investeringsgoederen en diensten te etiketteren kan omzeilen. In zijn conclusie bij deze zaak heeft A-G Mengozzi3 het standpunt ingenomen dat etikettering niet mogelijk is bij andere goederen dan investeringsgoederen en bij diensten.
De etiketteringsleer speelt alleen in gevallen waarin investeringsgoederen zowel voor bedrijfsdoeleinden als voor andere dan bedrijfsdoeleinden worden gebruikt. In het kader van dit onderzoek is de etiketteringsproblematiek in zoverre van belang dat aan het niet-gebruiken van een investeringsgoed of het gebruik daarvan voor activiteiten die buiten de werkingssfeer van de btw vallen, alleen gevolgen zijn verbonden voor de aftrek van voorbelasting als het goed geheel of gedeeltelijk wordt gebruikt voor bedrijfsdoeleinden en geheel of gedeeltelijk wordt bestemd voor het bedrijfsvermogen. Als het goed volledig wordt geëtiketteerd als zijnde in het geheel bestemd voor het privévermogen4 kan de belastingplichtige sowieso geen voorbelasting in aftrek brengen.