Het besluit van de rechtspersoon
Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/IX.3.2:IX.3.2 Formele rechtskracht in België
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/IX.3.2
IX.3.2 Formele rechtskracht in België
Documentgegevens:
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178842:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Alles tezamen laat het oordeel in de IMG-zaak zich goed begrijpen tegen de achtergrond van het (systeem van) het geldende recht. Een niet-vernietigd besluit heeft geen formele rechtskracht. Maar is het ook wenselijk? Zou het toch de voorkeur kunnen hebben om art. 2:15 BW ‘waterdicht’ te maken? Het Belgische recht en het bestuursrecht (§ 3.3) tonen dat het heel wel denkbaar is om een besluit formele rechtskracht toe te kennen, als vernietiging van dat besluit is uitgebleven of niet binnen de gegeven termijn is gevorderd.
In België vervalt de bevoegdheid om de nietigverklaring te verzoeken van een besluit van de algemene vergadering van een vennootschap na zes maanden (art. 2:143 § 4 lid 2 WVV). Het verlopen van deze termijn verleent een besluit een zekere vorm van formele rechtskracht, zo oordeelde althans het Hof van Cassatie in zijn arrest van 17 februari 1966.1 In die zaak had de algemene vergadering besloten de statutair bestuurder te ontslaan en de vennootschap te ontbinden. De bevoegdheid om de nietigheid van deze besluiten te verzoeken was verjaard en kon derhalve niet slagen. Naar het oordeel van het Hof moet de vordering tot schadevergoeding, die de gewezen bestuurder had ingesteld, dat lot delen. Het overweegt dat
‘(…) le dommage allegue n’avait pas d’autre cause que les decisions [van de algemene vergadering, KvV] dont les demancleurs poursuivaient l’annulation et que, partant, le sort de l’action en dommages-interets exercee par le premier demandeur dependait du sort de l’action en nullite (…).’
Lees ik deze overweging goed, dan komt de geleden schade niet voor vergoeding in aanmerking aangezien deze geen andere oorzaak heeft dan de genomen besluiten. De vordering tot schadevergoeding hangt af van die tot nietigverklaring, zodat het verval van die laatste tot afwijzing van de eerste leidt. Kortom: als een besluit vaststaat omdat daarvan niet tijdig de nietigverklaring is gevorderd, kan de gelaedeerde geen vergoeding vorderen van de schade die uit dat besluit voortvloeit. Van Gerven leest het arrest iets beperkter. Volgens hem kan geen actie strekkende tot schadevergoeding worden ingesteld, als die ‘steunt op de inbreuk waarvan de nietigverklaring niet meer kan worden gevorderd’.2 In die lezing is er slechts formele rechtskracht wanneer de schade in verband staat met een nietigheidsgrond waarop geen of ontijdig beroep is gedaan. Als een schadeveroorzakend besluit nietig verklaard had kunnen worden op de grond dat – ik noem maar wat – voor de bewuste vergadering tegen een te korte termijn was opgeroepen, dan kan nog steeds schadevergoeding worden gevorderd. Die vordering zal doorgaans niet steunen op de te korte oproepingstermijn, maar berusten op de onrechtmatigheid van het besluit zelf.