De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring
Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/10.8:10.8 De beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid (hoofdstuk 8)
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/10.8
10.8 De beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid (hoofdstuk 8)
Documentgegevens:
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250437:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als een moedermaatschappij haar 403-verklaring intrekt, blijft zij aansprakelijk voor de schulden die voortvloeien uit de rechtshandelingen die de 403-maatschappij heeft verricht tot het moment dat de moedermaatschappij tegenover de crediteur een beroep kan doen op de intrekking. Ik heb geconcludeerd dat deze overblijvende aansprakelijkheid alle bestaande en toekomstige schulden omvat die voortvloeien uit de rechtshandelingen die de 403-maatschappij tot dat moment heeft verricht.1
Een moedermaatschappij kan haar overblijvende aansprakelijkheid tegenover een crediteur beëindigen als zij aan een viertal cumulatieve voorwaarden voldoet. Hiervoor is vereist dat de groepsband tussen de moeder- en de 403-maatschappij is verbroken. Daarnaast moet een mededeling van het voornemen om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen twee maanden ter inzage hebben gelegen bij het handelsregister. Voorts dienen er twee maanden te zijn verlopen na de aankondiging in een landelijk verspreid dagblad dat en waar deze mededeling ter inzage ligt. Tot slot mag tegen het voornemen van de moedermaatschappij om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen geen verzet zijn ingesteld door de crediteur, dan wel moet diens verzet zijn ingetrokken of door de rechter ongegrond zijn verklaard.
In art. 2:404 lid 3 sub b en c BW worden geen voorwaarden genoemd met betrekking tot de informatie die een moedermaatschappij moet opnemen in haar mededeling bij het handelsregister dat zij voornemens is om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen en de aankondiging daarvan in een landelijk verspreid dagblad. Ik acht het wenselijk dat aan deze bepalingen wordt toegevoegd dat een moedermaatschappij in de mededeling bij het handelsregister en de aankondiging daarvan in een landelijk verspreid dagblad expliciet melding moet maken van haar eigen naam, de naam van de 403-maatschappij en eventuele oude namen van hen indien die sinds de deponering van de 403-verklaring zijn gewijzigd.2 Deze wetswijziging biedt een moedermaatschappij houvast bij het opstellen van deze stukken en waarborgt dat de crediteuren aan de hand van de informatie in de stukken kunnen achterhalen of hun vordering door de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid komt te vervallen.
Aangezien het onwaarschijnlijk is dat een crediteur regelmatig ten aanzien van alle debiteuren nagaat of er een mededeling is gedeponeerd van het voornemen om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen, en dagelijks alle landelijk verspreide dagbladen controleert of er een aankondiging van een dergelijke mededeling is gedaan, is het goed mogelijk dat een crediteur het voornemen van de moedermaatschappij om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen over het hoofd ziet. Om een crediteur beter in staat te stellen dat hij bekend kan zijn met het voornemen van de moedermaatschappij om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen, heb ik ervoor gepleit dat de Kamer van Koophandel een systeem aanbiedt waarbij derden automatisch een notificatie kunnen krijgen als met betrekking tot een bepaalde rechtspersoon stukken zijn gedeponeerd bij het handelsregister. Een crediteur kan dan instellen dat hij een bericht krijgt als de moedermaatschappij een mededeling deponeert van het voornemen om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen. Indien de Kamer van Koophandel een dergelijk systeem aanbiedt, kan de voorwaarde dat de moedermaatschappij een aankondiging moet plaatsen in een landelijk verspreid dagblad dat en waar deze mededeling ter inzage ligt mijns inziens worden geschrapt uit art. 2:404 lid 3 BW.3
Crediteuren voor wier vordering nog aansprakelijkheid loopt, kunnen verzet instellen tegen het voornemen van de moedermaatschappij om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen. Dit betreft ook crediteuren met een niet-vaststaande vordering op de 403-maatschappij, tenzij de vordering onmiskenbaar ongegrond is. Daarnaast kan de houder van een openbaar pandrecht op de vordering van een crediteur op de moedermaatschappij verzet instellen.4 Als een crediteur verzet instelt, kan hij een vervangende waarborg verlangen voor de nakoming van zijn vordering op de 403-maatschappij. Ik heb verdedigd dat een crediteur recht heeft op een vervangende waarborg als hij na de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid, uit hoofde van de vermogenstoestand van de 403-maatschappij of uit anderen hoofde, niet (minimaal) dezelfde waarborgen heeft dat zijn vordering op de 403-maatschappij zal worden voldaan, als de waarborgen die hij heeft dat zijn vordering op de moedermaatschappij zal worden voldaan, tenzij de crediteur redelijkerwijs geen risico loopt dat zijn vordering op de 403-maatschappij niet zal worden voldaan.5
De huidige lijn in de jurisprudentie is dat de omvang van een te geven vervangende waarborg wordt vastgesteld op het bedrag van de bestaande en toekomstige vorderingen van de crediteur op de 403-maatschappij.6 Naar mijn mening is het niet juist om de vervangende waarborg zonder meer op dit bedrag vast te stellen. Ik betoog dat deze waarborg mede moet worden vastgesteld aan de hand van de waarborgen die de crediteur al heeft, uit hoofde van de vermogenstoestand van de 403-maatschappij of uit anderen hoofde, dat zijn vordering op de 403-maatschappij zal worden voldaan. Mijns inziens moet de vervangende waarborg deze waarborgen die de crediteur al heeft, aanvullen tot het niveau dat deze gezamenlijk (minimaal) dezelfde waarborgen bieden dat de vordering van de crediteur op de 403-maatschappij zal worden voldaan, als de waarborgen die hij heeft dat zijn vordering op de moedermaatschappij zal worden voldaan.
Ik heb geconcludeerd dat pas als een moedermaatschappij een beroep kan doen op de intrekking van de 403-verklaring, zij een aankondiging kan plaatsen in een landelijk verspreid dagblad dat en waar de door haar gedeponeerde mededeling van het voornemen om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen ter inzage ligt.7 Mijns inziens moet uiterlijk op het moment dat de tweemaands- termijn verloopt waarbinnen de crediteuren verzet kunnen instellen tegen het voornemen van de moedermaatschappij om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen aan alle voorwaarden voor deze beëindiging zijn voldaan, behoudens de afwikkeling van een eventueel ingesteld verzet. In welke volgorde aan deze voorwaarden is voldaan, is daarvoor naar mijn mening niet van belang.8
Tot slot meen ik dat de voorwaarde voor de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid dat de groepsband tussen de moeder- en de 403-maatschappij is verbroken, overbodig is en het onnodig bezwarend maakt om deze aansprakelijkheid te beëindigen. Ik acht het daarom wenselijk dat deze voorwaarde wordt geschrapt uit art. 2:404 lid 3 BW.9