De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/6.3.1.3:6.3.1.3 Civiel effect diploma middelbaar onderwijs
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/6.3.1.3
6.3.1.3 Civiel effect diploma middelbaar onderwijs
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949481:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Bijlagen Handelingen II, 1862/63, XXXIX, nr. 3, p. 320 (MvT).
Bartels 1963, p. 132.
Bartels 1963, p. 132.
H.T.A. Amsing, ‘Maatwerk in het onderwijs: inleiding op het themanummer’, NTOR 2002, p. 82.
Bijlagen Handelingen II 1917/18, nr. 188, 1-3, p. 1.
Bartels 1963, p. 141.
Bijlagen Handelingen II 1917/18, nr. 188, 1-3, p. 1.
Bartels 1963, p. 144-147.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij het opstellen van de Wet op middelbaar onderwijs had de wetgever het uitgangspunt geformuleerd dat het hoger onderwijs een algemene voorbereiding vormde tot verschillende maatschappelijke betrekkingen.1 Het middelbaar onderwijs was daarentegen niet bedoeld als vooropleiding voor het hoger onderwijs. Aan het getuigschrift van de hoogere burgerschool werd dan ook niet het recht gekoppeld om toegelaten te worden tot de universiteit. Dit recht bleef voorbehouden aan de klassieke vooropleiding voor het hoger onderwijs; het gymnasium. Al snel bleek echter dat de moderne opleiding aan de hoogere burgerschool ook zeer geschikt was als vooropleiding voor de universiteit.2
Vanaf 1876 werd het eenvoudiger voor leerlingen met een diploma van de hoogere burgerschool om door te stromen naar de universiteit. Om zonder getuigschrift van het gymnasium ingeschreven te worden bij de universiteit, moest de aspirant-student een staatsexamen afleggen. Dit gold ook voor aspirant-studenten met een getuigschrift van de hoogere burgerschool. Bij amendement stelde Van Houten voor dat degene met een getuigschrift van de hoogere burgerschool niet langer het gehele staatsexamen hoefden af te leggen om ingeschreven te worden bij de universiteit.3 Zij hoefden slechts staatsexamen af te leggen in die vakken waarin zij nog niet waren geëxamineerd aan de hoogere burgerschool. Dit amendement werd overgenomen door de regering. Verdergaande amendementen om de hoogere burgerschool meer als vooropleiding tot de universiteit te positioneren hebben het toen niet gered.4
In 1878 werd het daarom mogelijk gemaakt om met een diploma van de hoogere burgerschool toegelaten te worden tot het natuurkundig examen dat voorafging aan het volgen van de artsenopleiding. Minister Kappeyne van de Coppello stelde hierover: “De bezitter van het diploma wegens met goed gevolg afgelegd eindexamen der hoogere burgerschool met vijfjarigen cursus heeft reeds in wettelijken vorm aan deze voorwaarde ruimschoots voldaan. Het ware nutteloos hem andermaal te ondervragen.”5 De minister meende echter desalniettemin dat het onderwijs aan de hoogere burgerscholen gericht zou moeten blijven op algemene ontwikkeling. Dit wetsvoorstel was dan ook niet bedoeld om een andere richting te geven aan het middelbaar onderwijs. Dit bleek onder andere uit het feit dat leerlingen van de hoogere burgerscholen een ander examen moesten afleggen dan de gymnasiasten om de bevoegdheid te krijgen om als arts te mogen werken.6 Inhoudelijk waren de examens identiek aan elkaar. Een met goed gevolg afgelegd examen van een leerling afkomstig van de hoogere burgerschool gaf echter geen recht om aan de universiteit te mogen promoveren. Dit recht bleef voorbehouden aan de gymnasiasten. Pas in 1917 kregen de leerlingen van de hoogere burgerscholen na het afleggen van het geneeskundig examen ook het recht om te promoveren.7
Een echte doorbraak voor de toelating tot de universiteit voor gediplomeerden van de hoogere burgerschool kwam pas in de Eerste Wereldoorlog. Tot dat moment moesten jongens met een diploma van een hoogere burgerschool zich na het vervullen van hun dienstplicht nog twee jaar bekwamen voor het staatsexamen om toegelaten te kunnen worden tot de universiteit.8 Kamerlid Limburg besloot met een initiatiefwetsvoorstel mogelijk te maken dat een student met een getuigschrift van de hoogere burgerschool toegelaten kon worden tot de examens van de faculteiten der geneeskunde en der wis- en natuurkunde.9 Na 1917 werd het stapsgewijs mogelijk gemaakt om met een getuigschrift van de hoogere burgerschool door te stromen naar steeds meer opleidingen aan de universiteit.10