Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/7.2.3.1
7.2.3.1 De (on)geschiktheid van de veroordeling tot schadevergoeding
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955453:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 6.3.3.3.
Asser/Sieburgh 6-IV 2023, nr. 163.
HR 15 november 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2195, NJ 1998/314, m.nt. F.W. Grosheide, BIE 1997/78, m.nt. P.J.M. Steinhauser (Rummikub), rov. 3.5.1.
Asser/Sieburgh 6-II 2021, nr. 41.
Vgl. Gomez-Arostegui, Fordham L. Rev. 2010, afl. 4, p. 1664-1665 (betogend dat ook in de Verenigde Staten federale rechtbanken niet de bevoegdheid hebben een vergoeding toe te wijzen voor toekomstige inbreuken op auteursrechten of octrooirechten).
Zie bijv. Edwards Lifesciences LLC v Boston Scientific Scimed, Inc. [2018] EWHC 1256 (Pat) [60, 72].
Zoals besproken moet een aanpassing of weigering van een verbod in beginsel gepaard gaan met toewijzing van een passende vergoeding aan de rechthebbende.1 De mogelijkheden die ons recht daartoe biedt, zijn afhankelijk van het precieze karakter van de beperking. Gaat het om een respijttermijn die betrekking heeft op het laten voortduren van inbreuken die al hebben plaatsgevonden (zoals bij een uitverkooptermijn), dan kan de rechter terugvallen op titel 6.3 en afdeling 6.1.10 BW.2 Meer in het bijzonder biedt art. 6:105 BW hem de mogelijkheid om de gedaagde bij voorbaat tot vergoeding van toekomstige schade te veroordelen. Het kan daarbij gaan om een eenmalige som, maar ook om periodieke betalingen. In het laatste geval verdient het de voorkeur dat de rechter de inbreukmaker verplicht zekerheid te stellen voor de periodieke betaling.3 Aannemelijk is dat de rechter vervolgens ook de aanpassing van het verbod afhankelijk kan stellen van de betaling van een schadevergoeding of een zekerheidsstelling.4 Aan de motivering van de keuze van een begrotingswijze worden door de Hoge Raad geen strenge eisen gesteld.5
Als de respijttermijn (mede) bedoeld is om toekomstige inbreuken toe te laten, bieden de hiervoor genoemde regels geen soelaas. Een verplichting tot schadevergoeding kan weliswaar bestaan als de schade zich nog niet heeft verwezenlijkt, maar dan moet wel sprake zijn van een voltooide inbreuk.6 Ons recht biedt dus geen grondslag voor een prospectieve schadevergoeding.7 Hier wreekt zich dat de wetgever geen implementatie heeft gegeven aan art. 12 Handhavingsrichtlijn, dat voorziet in de introductie van een dergelijke remedie.
Hoewel hierboven het voorbeeld van een respijttermijn is besproken, is de onderliggende problematiek evengoed relevant voor andersoortige beperkingen. Zo kan ook een vrijstelling voor specifieke inbreukmakende handelingen betrekking hebben op toekomstige inbreuken en kan het in zulke gevallen wenselijk zijn om vooraf een passende vergoeding vast te stellen.8