De acting in concert-regeling inzake het verplicht bod op effecten
Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/12.2.2:12.2.2 Aan wie kan worden toegerekend?
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/12.2.2
12.2.2 Aan wie kan worden toegerekend?
Documentgegevens:
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS368827:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dit volgt uit de definitie van personen met wie in onderling overleg wordt gehandeld in art. 1:1 Wft (natuurlijke personen, rechtspersonen en vennootschappen) en uit art. 5:70 lid 1 Wft (“een ieder”).
Zie nader Rensen 2008, p. 547 en Van Olffen/Rensen 2004, p. 390.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De stemrechten in de doelvennootschap kunnen aan een ieder worden toegerekend. Niet van belang is of een partij aandeelhouder in de doelvennootschap is of niet. Stemrechten kunnen bijvoorbeeld ook worden toegerekend aan bestuurders (zie echter hierna), een bieder die nog geen aandelen in de doelvennootschap houdt of willekeurige andere derden, zolang zij maar kwalificeren als personen met wie in onderling overleg wordt gehandeld in de zin van art. 1:1 Wft.
Welke rechtsvorm een partij heeft, is niet van belang.1 Wel kan dit in sommige gevallen tot toepassingsvragen leiden. Zo is bijvoorbeeld niet duidelijk of en wanneer stemrechten kunnen worden toegerekend aan het samenwerkingsverband als zodanig, hetgeen onder meer speelt indien het samenwerkingsverband als personenvennootschap kwalificeert (zie § 12.4.2 en § 13.4.2). Een bijzonder geval is het houden van stemrechten door een rechtspersoon. Strikt genomen kunnen haar bestuurders die stemrechten uitoefenen en zijn zij ook biedplichtig. Op grond van een redelijke wetstoepassing moet evenwel worden aangenomen dat niet de bestuurders, maar de rechtspersoon zelf de stemrechten kan uitoefenen (§ 12.3.2.4 sub III).
Bij een eventuele statutaire biedplicht (waarover § 3.3.3 en § 3.3.4) kunnen toerekeningsregels problematisch zijn omdat slechts verplichtingen kunnen worden opgelegd aan aandeelhouders; toerekening aan niet-aandeelhouders kan gelet op de beperkte reikwijdte van de statuten spaak lopen. Een oplossing is het opnemen van een statutaire hoofdelijkheidsregel inhoudende dat zowel degene aan wie de stemrechten volgens de wettelijke of statutaire regeling worden toegerekend als de aandeelhouder zelf kan worden aangesproken tot nakoming.2