Einde inhoudsopgave
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/12.2
12.2 Ontwikkeling van het subsidiestelsel
mr. L.S.A. Trapman, datum 19-02-2024
- Datum
19-02-2024
- Auteur
mr. L.S.A. Trapman
- JCDI
JCDI:ADS949748:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Aldus minister Smallenbroek in Handelingen I 1965/1965, nr. 14, p. 270. Zie ook Elzinga 1982, p. 220.
Voerman 2004, p. 51.
Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 1970/71, 11105, nr. 6, p. 3; Dragstra 2008, p. 46.
Zie Dragstra 2008, p. 28-31. De argumenten die tegen de subsidieregeling werden aangevoerd, keerden zich dan ook vaak tegen het financieren van politieke partijen als zodanig. Zelfs verantwoordelijk minister Geertsema gaf overigens toe dat deze twee dingen niet duidelijk te onderscheiden waren, maar hield desondanks vol dat van subsidiëring van politieke partijen geen sprake was: Handelingen II 1971/72, nr. 9, p. 365 en 371.
Dragstra 2008, p. 41. Zie ook de daar aangehaalde literatuur in voetnoot 150.
Commissie-Van den Berg 1991, p. 49; Dragstra 2008, p. 51.
Dragstra 2008, p. 41, 51, 93.
Kamerstukken II 1995/96, 24688, nr. 1, p. 4-5.
Kamerstukken II 1995/96, 24688, nr. 1, p. 11.
Dit ‘met het oog op het publieke belang van de subsidieverlening en gelet ook op de rechtszekerheid van de subsidie ontvangende politieke partijen’: Kamerstukken II 1997/98, 25704, nr. 3, p. 1.
De opstelling van de wetgever ten aanzien van subsidiëring van politieke partijen was lange tijd – zoals ten aanzien van iedere vorm van partijregulering – uitermate terughoudend. Het verstrekken van subsidies aan partijen werd geacht op gespannen voet te staan met de aloude gedachte dat overheidsbemoeienis met het partijwezen tot een minimum beperkt diende te blijven. Overheidssteun zou een afhankelijkheidsrelatie tussen partij en staat bewerkstelligen, daarmee miskennen dat de politieke partij wortelt in de samenleving en zo de ‘vrije politieke wilsvorming’ in het gedrang brengen.1 Ondanks deze afwijzende houding van de wetgever ontwikkelde het al dan niet subsidiëren van partijen zich in de jaren zestig tot een belangrijk thema. De als gevolg van de ontzuiling teruglopende ledenaantallen zorgden voor lagere contributie-inkomsten voor de partijen, terwijl hun geldelijke behoeften juist toenamen.2 Met het verlies van een vaste achterban moesten partijen zich er harder voor inspannen om kiezers aan zich te binden en zagen zij zich gedwongen om hun organisatie te professionaliseren. Die inspanningen brachten uiteraard extra kosten met zich mee. Deze zorgen leidden ertoe dat verschillende subsidieregelingen vanaf het begin van de jaren ’70 het licht zagen: een regeling ter subsidiëring van politiek-wetenschappelijke instituten (1970), instituten voor politieke vorming en scholing (1975) en politieke jongerenorganisaties (1976).
Ondanks dat opeenvolgende kabinetten overgingen tot het financieel bijstaan van aan partijen verbonden instituten, werd daarbij vastgehouden aan het uitgangspunt dat subsidiëring van partijen uit den boze was. 3De kabinetten vonden zichzelf steeds in de spagaat dat zij enerzijds de politieke participatie wensten te bevorderen, maar anderzijds daarbij de politieke partij – het middel bij uitstek voor deelname aan de politiek – ongemoeid wilden laten in het kader van de vrije politieke wilsvorming. De oplossing die daar iedere keer voor werd gevonden, was het doen toekomen van de subsidies aan aparte, van de politieke partij te onderscheiden rechtspersonen, die zich specifiek toelegden op de te subsidiëren activiteiten: het doen van politiek-wetenschappelijk onderzoek, het verrichten van vormings- en scholingsactiviteiten en het betrekken van jongeren bij de politiek. Die constructie veronderstelde dat de gesubsidieerde rechtspersonen onafhankelijk opereerden van de partij, die daardoor op haar beurt onafhankelijk van de staat kon blijven. Ten onrechte, omdat de instituten en partijen overduidelijk aan elkaar gelieerd zijn. 4Zo doen de wetenschappelijke instituten immers onderzoek ten behoeve van de politieke partij. Zij opereren dus op een gemeenschappelijke ideologische basis. 5Ook vormings- en scholingsactiviteiten staan overduidelijk in dienst van de partij-ideologie. De (geschiedenis van de) beginselen en het programma van de partij staan daarbij centraal.6 Daarnaast zorgde iedere vorm van subsidie ervoor dat de partij geld overhield dat aan andere doeleinden kon worden besteed. Zij betekenden dus een ontlasting van de partijkas, waardoor politieke partijen langs indirecte weg toch werden gesubsidieerd.7
De opeenvolgende kabinetten weigerden simpelweg te erkennen dat met de subsidieregelingen een partijsubsidiëringssysteem was opgetuigd, hetgeen aan een principieel debat over het subsidiëringsvraagstuk in de weg stond. Daar kwam in 1996 verandering in met de notitie Positie en subsidiëring politieke partijen, waarin het kabinet bij monde van minister Dijkstal erkende dat het in het verleden steeds gemaakte onderscheid tussen het subsidiëren van aan de partijen gelieerde instellingen en het subsidiëren van de partijen zelf, een fictief onderscheid was, waaraan het kabinet dan ook een einde wilde maken. 8Het kabinet besloot, in het licht van de op stapel staande derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de subsidieregelingen een gezamenlijke wettelijke grondslag te geven.9 Hoewel het in de Awb vervatte vereiste van een wettelijke grondslag voor structurele subsidiëring niet betekende dat ook de gehele subsidieregeling in een formele wet moest zijn neergelegd, besloot de regering toch tot dat laatste en diende in oktober 1997 het voorstel voor een Wet subsidiëring politieke partijen (Wspp) in.10 Op 1 juli 1999 trad deze wet in werking. In 2013 werd de Wspp vervangen door de Wet financiering politieke partijen (Wfpp), die de subsidieregels overnam en daarnaast voorzag in regels omtrent het ontvangen van giften.