Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/1.2
1.2 De stand van het personenvennootschapsrecht
Chr.M. Stokkermans, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkermans
- JCDI
JCDI:ADS590394:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Voor een bespreking van deze wijzigingen, zie Mohr 1992 en Wammes 1993, p. 144-146.
De op 1 januari 2017 geldende bepalingen over maatschap, VOF en CV zoals opgenomen in Boek 7A BW en het Wetboek van Koophandel, zijn in dit boek opgenomen als Bijlage I.
Van Mourik 2009; Nieuwe Weme, Van Olffen & Van Solinge 2011.
OM, art. 2.1.3 lid 2.
Dit voorontwerp, met toelichting is opgenomen in: Ontwerp voor een Nieuw Burgerlijk Wetboek van Prof. Mr. E.M. Meijers, ingevolge opdracht van de minister van Justitie opgesteld onder leiding van mr. F.J. de Jong, tekst vierde gedeelte (boek7), ’s-Gravenhage: Staatsdrukkerij en uitgeverijbedrijf 1972, beter bekend als het ‘Groene Boek’. Dit ontwerp is zonder de bijbehorende toelichting in dit boek opgenomen als Bijlage II.
Ontwerp-Van der Grinten, art. 7.13.1.2.
Ontwerp-Van der Grinten, art. 7.13.2.1.
Ontwerp-Van der Grinten, art. 7.13.1.6 en 7.13.2.2.
Ontwerp-Van der Grinten, art. 7.13.3.1.
Mohr 2003, p. 43.
Mohr 2003, p. 49.
Van Schilfgaarde 1974; Van Solinge 1974.
Vereeniging Handelsrecht 1998.
Tekst voor titel 7.13 volgens wetsvoorstel 28 746 (Vaststellingswet titel 7.13 BW) en wetsvoorstel 31 065 (Invoeringswet titel 7.13 BW), zoals deze luidde op het moment waarop deze wetsvoorstellen werden ingetrokken, op 15 december 2011. Dit ontwerp is in dit boek opgenomen als Bijlage III.
Ontwerp-Maeijer, art. 801 lid 1.
Ontwerp-Maeijer, art. 802. In plaats van de letters OVR mochten de woorden Openbare Vennootschap met rechtspersoonlijkheid voluit in de naam van de vennootschap worden opgenomen.
Ontwerp-Maeijer, art. 832 en 833.
Ontwerp-Maeijer, art. 834 en 835.
In de oorspronkelijke versie van het Ontwerp-Maeijer werd de term ‘maatschap’ nog wel gebruikt, voor wat later in het ontwerp ‘stille vennotschap’ is gaan heten.
Ontwerp-Maeijer, art. 813 leden 1 en 2.
Ontwerp-Maeijer, art. 836.
Zie Brief van de minister van Veiligheid en Justitie d.d. 5 september 2011, Kamerstukken I 2011-2012, 31 065, C.
Brief van de minister van Veiligheid en Justitie d.d. 15 december 2011, Kamerstukken I 2011-2012, 31 065, D.
Brandbrief d.d. 15 oktober 2008 van VNO-NCW en MKB-Nederland aan de Vaste Commissie voor Justitie van de Tweede Kamer over de vaststelling en invoering van titel 7.13 BW.
Zeer kritisch over deze brandbrief: Van Mourik 2009, Van Olffen 2009, Slagter 2009 en Nieuwe Weme, Van Olffen & Van Solinge 2011. Namens de betrokken ondernemersorganisaties is op de kritiek op de brandbrief gereageerd, zie Drion & Warmerdam 2009. Over de moeizame weg na de brandbrief: Van Olffen 2010. Over de oplosbaarheid van verschillende punten uit de brandbrief: Boschma & Mathey-Bal 2012.
Zie Stokkermans 2009 en Stokkermans 2009a.
Kamerstukken II 2011-2012, 28 746/31 065, nr. 7; Kamerstukken I 2011-2012, 31 065, D.
Kroeze 2012.
Werkgroep-Van Olffen 2016. De tekst van het in dat rapport opgenomen concept-wetsvoorstel is hierna opgenomen als Bijlage IV. Over dat rapport: Tervoort 2016c en Alzafari & Rutten 2016. Een concept van het rapport is besproken tijdens een congres op 15 juni 2016. Over dat concept en dat congres, zie Boschma & Wezeman 2016 en Mathey-Bal 2016a. De op genoemd congres gehouden voordrachten en het discussieverslag zijn, samen met het concept-rapport en het definitieve rapport gebundeld in zowel het boek Naar een nieuwe regeling voor de personenvennootschappen, ZIFO-reeks deel 21, Wolters Kluwer 2016, als in het boek Modernisering personenvennootschappen, serie vanwege het Van der Heijden Instituut deel 137, Wolters Kluwer 2017.
Brief van de minister van Veiligheid en Justitie aan de voorzitter van de Tweede Kamer d.d. 9 december 2016 inzake voortgang modernisering ondernemingsrecht, Kamerstukken II 2016-2017, 29 752, nr. 9, par. 9.
Aldus ook Alzafari & Rutten 2016, par. 4.
Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-wetsvoorstel, art. 1 lid 1.
Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-wetsvoorstel, art. 3 lid 2.
Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-wetsvoorstel, art. 7; concept-MvT, p. 80.
Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-wetsvoorstel, art. 5.
Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-wetsvoorstel, art. 6 lid 1.
Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-MvT, p. 76.
Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-MvT, p. 75.
Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-wetsvoorstel, art. 4.
Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-wetsvoorstel, art. 19 lid 2.
Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-wetsvoorstel, art. 19 lid 3.
Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-wetsvoorstel, art. 19 lid 1.
Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-wetsvoorstel, art. 33. Het voorstel hanteert hiervoor de term ‘zich wijzigen’.
Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-wetsvoorstel, art. 6 lid 2 en 33 lid 2; concept-MvT, p. 77/78, 122 en 123.
Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-wetsvoorstel, art. 34 en 35. Dat volgens de werkgroep (concept-MvT, p. 125) geen regeling ‘voor het vermogen van de vennootschap’ nodig is, kan erop duiden dat deze omzettingsmogelijkheid alleen voor de vennootschap-rechtspersoon is bedoeld.
Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-wetsvoorstel, art. 37, 38 en 40.
Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-MvT, p. 122.
Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-wetsvoorstel, art. 31.
Maeijer 1973, p. 429; Van Schilfgaarde 1974, p. 61; Van Solinge 1974, p. 159/160; Mohr 2003, p. 43.
De belangrijkste arresten over personenvennootschappen die sedert de intrekking van het Ontwerp-Maeijer zijn gewezen, zijn HR 15 maart 2013, JOR 2013/133, NJ 2013/290(Biek Holdings); HR 6 februari 2015, JOR 2015/181, NJ 2017/8(VDV Totaalbouw); HR 13 maart 2015, JOR 2015/134, NJ 2015/241(Carlande); en HR 29 mei 2015, JOR 2015/192, NJ 2015/380(Lunchroom de Katterug).
De huidige wettelijke regeling van het personenvennootschapsrecht dateert uit 1838. Bij de invoering van belangrijke onderdelen van het NBW, in 1992, zijn de maatschapsbepalingen zonder hernummering ‘geparkeerd’ in Boek 7A BW, waar ze nu nog zijn te vinden. Daarbij zijn enkele tekstuele en andere mineure wijzigingen aangebracht.1 De regeling voor VOF en CV is nog steeds te vinden in het Wetboek van Koophandel. Ook deze bepalingen zijn sinds de invoering nauwelijks gewijzigd.2 Inhoudelijk wordt de wettelijke regeling van het personenvennootschapsrecht al gedurende lange tijd als verouderd gezien. Ook schort het aan overzichtelijkheid, leesbaarheid en begrijpelijkheid.3
Het Ontwerp-Van der Grinten
Voor de eerste poging tot modernisering gaf prof. mr. E.M. Meijers in zijn ontwerp voor een nieuw Boek 2 BW uit 1954 een aanzet. Het ontwerp voorzag in rechtspersoonlijkheid voor ‘andere vennootschappen’ die aan de daartoe door de wet gestelde vereisten voldeden.4 Met ‘andere vennootschappen’ doelde Meijers op VOF en CV. Later is aan prof. mr. W.C.L. van der Grinten gevraagd een regeling voor de personenvennootschappen uit te werken. Dit resulteerde in diens voorontwerp voor Titel 7.13 BW uit 1972 (het Ontwerp-Van der Grinten), met toelichting.5 Dit voorontwerp heeft de Tweede Kamer nooit bereikt. Tegen de tijd dat de Boeken 3, 5 en 6 van het NBW werden ingevoerd, in 1992, was het Ontwerp-Van der Grinten al lang van tafel.
Het Ontwerp-Van der Grinten bracht openbare maatschap en VOF samen onder de noemer openbare vennootschap. Deze werd aangemerkt als rechtspersoon. Voor de kwalificatie van een vennootschap als openbare vennootschap gold geen formeel criterium. Een vennootschap die handelde onder gemeenschappelijke naam, was ‘openbaar’, en dus rechtspersoon.6 De term maatschap kwam in het ontwerp niet voor. Als VOF werd aangemerkt de openbare vennootschap tot uitoefening van een bedrijf, welke geen commanditaire vennoten had.7 Het bestaande verschil dat de vennoten van een maatschap in beginsel voor gelijke delen voor vennootschapsschulden aansprakelijk zijn, terwijl de vennoten van een VOF steeds hoofdelijk aansprakelijk zijn, werd gehandhaafd.8 Naast de openbare vennootschap was een kleine rol weggelegd voor wat genoemd werd de stille vennootschap. Die was geen rechtspersoon. In het Ontwerp-Van der Grinten hoefde de stille vennootschap niet echt stil te zijn, maar de vennoten mochten niet onder een gemeenschappelijke naam in het rechtsverkeer optreden. De CV was in het Ontwerp-Van der Grinten een variant op de VOF.9
De rechtspersoonlijkheid voor alle openbare vennootschappen die in het Ontwerp-van der Grinten was voorzien, leidde tot heftige discussies. Men kwam er niet uit. Er was ook kritiek op de gehandhaafde classificatie van rechtsvormen op basis van het onderscheid tussen beroep en bedrijf. Diende dit onderscheid niet eindelijk eens te worden afgeschaft?10 Verder lijkt het erop dat men een beetje NBW-moe was.11 Het ontwerp had een beter lot verdiend. De regeling zelf en de toelichting erop zijn bewonderenswaardig kort en krachtig en zitten conceptueel helder in elkaar. Het ontwerp heeft aanleiding gegeven tot evenzeer fraaie preadviezen van Van Schilfgaarde en Van Solinge, waaruit naast enkele kritiekpunten vooral ook instemming spreekt.12 Achteraf is het eigenlijk onbegrijpelijk dat dit ontwerp destijds niet snel tot wet is verheven.
Het Ontwerp-Maeijer
Een tweede poging werd ondernomen door prof. mr. J.M.M. Maeijer. In 1997 werd hem gevraagd een nieuw ontwerp op te stellen. Om te beginnen heeft Maeijer een aantal vraagpunten geformuleerd die zijn besproken in de vergadering van de Vereeniging Handelsrecht in 1998.13 De uitkomsten van deze consultatieronde zijn meegenomen in het ontwerp voor Titel 7.13 BW dat Maeijer vervolgens heeft opgesteld en in 2002 naar de Tweede Kamer is gestuurd. Dit ontwerp bood voor de openbare vennootschap onder meer een keuze tussen wel of geen rechtspersoonlijkheid. In 2005 werd het met enkele beperkte wijzigingen door de Tweede Kamer aangenomen. Gedurende de behandeling in de Eerste Kamer is het nog aanzienlijk gewijzigd, met name via het ontwerp voor de invoeringswet, die uiteindelijk in 2009 eveneens door de Tweede Kamer werd aangenomen. Met inbegrip van alle wijzigingen die daarin gedurende de parlementaire behandeling zijn aangebracht, wordt dit ontwerp aangeduid als het Ontwerp-Maeijer.14 Daarbij past de opmerking dat Maeijer slechts ten dele betrokken is geweest bij de wijzigingen die in zijn oorspronkelijk ontwerp zijn aangebracht.
Ook in het Ontwerp-Maeijer werden openbare maatschap en VOF samengebracht onder de noemer openbare vennootschap. Openbaar was de vennootschap tot het uitoefenen van een beroep of bedrijf dan wel het verrichten van beroeps- of bedrijfshandelingen, die op een voor derden duidelijk kenbare wijze naar buiten optreedt onder een door haar als zodanig gevoerde naam.15 De openbare vennootschap was in beginsel geen rechtspersoon; in deze vorm werd zij in de literatuur vaak aangeduid als OV. Door de vervulling van aanvullende formele vereisten kon zij rechtspersoon worden; in deze vorm werd zij aangeduid als OVR. Voor rechtspersoonlijkheid waren onder meer een notariële akte en opneming van de aanduiding ‘OVR’ in de naam van de vennootschap vereist.16 Het ontwerp maakte het mogelijk een bestaande openbare vennootschap om te zetten in een openbare vennootschap met rechtspersoonlijkheid, en omgekeerd.17 Ook kon een openbare vennootschap met rechtspersoonlijkheid worden omgezet in een NV of BV, en omgekeerd.18 De termen maatschap en VOF kwamen in het ontwerp niet voor.19 De vennoten van een openbare vennootschap waren hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de vennootschap. Voor het geval waarin de vennootschap een opdracht had ontvangen, gold voor individuele vennoten een uit artikel 7:407 lid 2 BW afgeleide disculpatiemogelijkheid.20 Naast de openbare vennootschap was een kleine rol weggelegd voor de stille vennootschap. Dit was geen rechtspersoon. Evenals in het Ontwerp-Van der Grinten hoefde de stille vennootschap niet echt stil te zijn, maar de vennoten mochten niet onder een gemeenschappelijke naam in het rechtsverkeer optreden. De CV was in het Ontwerp-Maeijer een soort openbare vennootschap en beschikbaar in een variant met rechtspersoonlijkheid en een variant zonder rechtspersoonlijkheid.21
De aanpassingen die gedurende het wetgevingsproces zijn aangebracht, hebben de kritiek, dat de regeling uit het ontwerp te knellend was voor bestaande maatschappen en vennootschappen onder firma en dat vragen waren te stellen over de helderheid van de wetgeving en het nut en de noodzaak ervan,22 onvoldoende kunnen wegnemen. Uiteindelijk is het Ontwerp-Maeijer op 15 december 2011 ingetrokken.23 Een brandbrief van ondernemersorganisaties heeft daarbij een sleutelrol gespeeld.24 Over de kwaliteit van de bezwaren die in deze brandbrief naar voren zijn gebracht, wordt verschillend gedacht.25 Onder de specifiek in de brief benoemde bezwaarpunten lag vermoedelijk een gevoel van onbehagen dat men moeilijk onder woorden kon brengen. Een gevoel van onbehagen dat ook het mijne was.26 Volgens mij leed het Ontwerp-Maeijer aan te veel starre dogmatiek en te weinig soepele systematiek. Hoe dan ook, uiteindelijk heeft de minister geconstateerd dat het Ontwerp-Maeijer weinig steun heeft gekregen van de beoogde gebruikers, met name ondernemers in het midden- en kleinbedrijf, en de primaire doelstelling (het faciliteren van ondernemers) in dit ontwerp onvoldoende tot zijn recht kwam.27 De denkkracht die aan het ontwerp is besteed, is daarmee geen verspilde moeite.28 Het ontwerp heeft een belangrijke bijgedrage geleverd aan de aandacht voor en het denken over personenvennootschappen en is voor de rechtsontwikkeling van eminent belang.
Voorstel van de werkgroep-Van Olffen
Na de intrekking van het Ontwerp-Maeijer is een werkgroep onder voorzitterschap van prof. mr. M. van Olffen aan de slag gegaan om alsnog zo spoedig mogelijk tot modernisering van de personenvennootschapswetgeving te komen. Het voorstel van deze breed samengestelde, particuliere werkgroep is vervat in een rapport getiteld ‘Modernisering Personenvennootschappen’,29 dat op 26 september 2016 is aangeboden aan de minister van Veiligheid en Justitie. De kern van het rapport wordt gevormd door twee bijlagen: concepten voor een wetsvoorstel en een MvT. Volgens de minister sluit het rapport goed aan bij het beleid van het kabinet om het ondernemingsklimaat in Nederland te verbeteren en de (internationale) handelspositie van Nederland te versterken. Het stemt hoopvol dat de minister dit rapport heeft aangegrepen om een nieuw voorontwerp van een wettelijke regeling in het vooruitzicht te stellen, dat via internet ter consultatie zal worden voorgelegd.30
Het voorstel van de werkgroep-Van Olffen voorziet in een stille vennootschap en zes soorten openbare vennootschap, te weten twee soorten maatschap, twee soorten VOF en twee soorten CV.31 Maatschap, VOF en CV kennen telkens een variant zonder en een variant met rechtspersoonlijkheid. Het begrip ‘vennootschap’ wordt in het voorstel omschreven als de overeenkomst tot samenwerking die gericht is op de uitoefening van een beroep of bedrijf met inbreng door ieder van de vennoten en met het oogmerk voordeel te behalen en dit met elkaar te delen.32
Een vennootschap is in dit voorstel openbaar, indien zij op een voor derden duidelijk kenbare wijze onder een door haar gevoerde naam aan het rechtsverkeer deelneemt.33 Het vermogen van de openbare vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid heeft een gebonden en afgescheiden karakter.34 Een openbare vennootschap met onderneming in Nederland moet, volgens het voorstel, worden ingeschreven in het handelsregister.35 Een dergelijke openbare vennootschap is rechtspersoon met ingang van de dag volgend op de dag waarop die inschrijving plaatsvindt.36 De werkgroep wil via een aanpassing van de Handelsregisterwet 2007 toelaten dat een openbare vennootschap die niet verplicht is tot inschrijving, vrijwillig kan worden ingeschreven.37 Voor openbare vennootschappen die geen onderneming hebben of waarvan de onderneming zich in het buitenland bevindt, wordt rechtspersoonlijkheid dus optioneel. Waarom de werkgroep voor de ene groep rechtspersoonlijkheid verplicht stelt en voor de andere niet, maakt zij niet duidelijk.38
De term ‘maatschap’ wordt in het voorstel van de werkgroep gereserveerd voor de openbare vennootschap ter uitoefening van beroepsactiviteiten. Onder ‘beroep’ wordt hier het vrije beroep verstaan.39 Met VOF en CV duidt de werkgroep openbare vennootschappen ter uitoefening van bedrijfsactiviteiten aan.40 Het verschil in eigenschappen tussen maatschap en VOF betreft in dit voorstel de vennotenaansprakelijkheid. Het uitgangspunt dat vennoten voor gelijke delen aansprakelijk zijn voor deelbare schulden van de maatschap, wordt gehandhaafd.41 Daarnaast wordt bij de maatschap een op artikel 7:407 lid 2 BW geïnspireerde regeling voorgesteld: indien een maatschap een opdracht heeft ontvangen die strekt tot het verrichten van een beroepshandeling, is in beginsel alleen iedere vennoot die met de uitvoering is belast naast de maatschap aansprakelijk ter zake van een tekortkoming of fout bij de nakoming, en wel voor het geheel.42 Bij de VOF blijven de vennoten naast de vennootschap hoofdelijk voor verbintenissen van de vennootschap verbonden en wordt de op artikel 7:407 lid 2 BW geïnspireerde uitzondering niet gemaakt.43
Daarnaast worden in dit voorstel verschillende vormen van herstructurering gefaciliteerd. Een personenvennootschap kan van de ene in een andere soort worden omgezet.44 Zo kan een stille vennootschap worden omgezet in een openbare vennootschap zonder of met rechtspersoonlijkheid. In dit laatste geval vindt een vermogensovergang onder algemene titel op de rechtspersoon plaats. Het omgekeerde (omzetting van een openbare vennootschap met rechtspersoonlijkheid in een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid) kan eveneens.45 Ook kan een VOF of CV worden omgezet in een maatschap, waarmee een overgang van bedrijfs- naar beroepsactiviteiten wordt gefaciliteerd, en omgekeerd. Een openbare personenvennootschap kan zich voorts omzetten in een kapitaalvennootschap, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij, en omgekeerd.46 De voorstellen voorzien tevens in de mogelijkheid van juridische fusie en splitsing van openbare vennootschappen met rechtspersoonlijkheid.47 Als daarmee ervaring is opgedaan, kan wellicht in een later stadium de regeling worden uitgebreid tot andere rechtspersonen, aldus de werkgroep.48 Ten slotte wordt een regeling getroffen die voortzetting van de onderneming door een enig overgebleven vennoot faciliteert.49
Terug naar de toekomst
Ooit was het de bedoeling dat de hercodificatie van de personenvennootschappen de ‘voortrein’ van het NBW zou worden,50 maar vrijwel het hele NBW is inmiddels in werking getreden. Titel 7.13 is van voortrein tot bezemwagen geworden. De Hoge Raad heeft ervoor gezorgd dat intussen enige vooruitgang is geboekt,51 maar de behoefte aan nieuwe wetgeving is daarmee niet weggenomen.