Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/3.2.1.2
3.2.1.2 Wetswijziging 1922
mr. drs. C.M. Harmsen, datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180189:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Wet van den 5den Mei 1922, houdende wijziging van de bepalingen in het Wetboek van Koophandel betreffende de koopmansboeken en van de daarmede verband houdende bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Strafrecht, Stb. 1922, 246.
Wijziging van de bepalingen in het Wetboek van Koophandel betreffende de koopmansboeken en van de daarmede verband houdende bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en van het Wetboek van Strafrecht, Ontwerp van wet, artikel 1 I, 25 mei 1921, W. 10718.
Wijziging van de bepalingen in het Wetboek van Koophandel betreffende de koopmansboeken en van de daarmede verband houdende bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en van het Wetboek van Strafrecht, MvT, 25 mei 1921, W. 10718.
Wijziging van de bepalingen in het Wetboek van Koophandel betreffende de koopmansboeken en van de daarmede verband houdende bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en van het Wetboek van Strafrecht, V.V., 22 juli 1921, W. 10743.
Wijziging van de bepalingen in het Wetboek van Koophandel betreffende de koopmansboeken en van de daarmede verband houdende bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en van het Wetboek van Strafrecht, V.V., 22 juli 1921, W. 10743.
Ook uit dit citaat volgt dat in 1922 de opinie was dat de administratieplicht ook van toepassing was op een rechtspersoon en de rechtspersoon dus koopman kon zijn (zie paragraaf 2.2.2.3).
J. Valkhoff, Bepalingen over boekhouding en administratie, Amsterdam: Uitgeverij FED 1962, eerste druk, p. 13.
Wijziging van de bepalingen in het Wetboek van Koophandel betreffende de koopmansboeken en van de daarmede verband houdende bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en van het Wetboek van Strafrecht, V.V., 22 juli 1921, W. 10743.
Ook voor de in de artikelen 7, 8 en 10 WvK aan de koopman opgelegde verplichtingen geldt dat deze bij de wetswijziging van 1922 aanzienlijk werden verlicht. Daarnaast werden deze drie verplichtingen tezamen als de leden 2 en 3 toegevoegd aan het al bestaande artikel 6 WvK.
De leden 2 en 3 van artikel 6 WvK kwamen na de wetswijziging van 1922 als volgt te luiden:1
Hij is verpligt alle jaren, binnen de eerste zes maanden van elk jaar, eene naar de eischen van zijn bedrijf ingerichte balans op te maken en eigenhandig te onderteekenen.
Hij is gehouden de boeken en bescheiden, waarin hij overeenkomstig het eerste lid aanteekening heeft gehouden, alsmede balansen dertig jaren, de ontvangen brieven en telegrammen en afschriften van uitgaande brieven en telegrammen tien jaar lang te bewaren.
De verlichting voor de koopman is terug te vinden in beide artikelleden.
In lid 2 is de verplichting om naast de balans ook een staat op te maken, in te schrijven en te ondertekenen, komen te vervallen.
In het oorspronkelijke wetsvoorstel voor de wijziging van het Wetboek van Koophandel ter zake van de koopmansboeken was de verplichting tot het opmaken, inschrijven en ondertekenen van zowel een balans als een staat niet meer opgenomen.2 Uit de Memorie van Toelichting volgt dat de reden hiervoor was dat deze verplichting reeds voortvloeit uit het behoorlijk aantekening houden als bedoeld in artikel 6 WvK. De minister achtte het niet nodig om één onderdeel van die verplichting afzonderlijk in de wet op te nemen.3
Uit het Voorloopig Verslag volgt dat er breed gedragen bezwaren waren tegen het voorstel om de expliciete verplichting tot het opstellen van een balans en staat te laten vervallen.4 Opgemerkt werd dat de kenmerkende eigenschap van de balans is dat de bestanddelen van het vermogen worden vermeld naar de waarde die zij hebben op het moment dat de balans wordt opgemaakt, en dat deze eigenschap de mogelijkheid uitsluit om de balans te brengen onder het begrip aantekening van artikel 6 WvK. Het Voorlopig Verslag vermeldt ook de volgende opmerking van de leden met bezwaar tegen het laten vervallen van de expliciete verplichting een balans en een staat op te maken:5
“Zij zouden het ten zeerste betreuren, indien ten gevolge van de thans door de Regeering voorgestelde redactie van art. 6 van het Wetboek van Koophandel kooplieden in de toekomst het opmaken van de jaarlijksche balans straffeloos zouden kunnen nalaten. In het bijzonder zou dit zeer ongewenschte gevolgen hebben voor de aandeelhouders in de vele naamlooze vennootschappen,6 welke hier te lande bestaan. En niet minder voor den fiscus. Want voor de vaststelling der aanslagen van kooplieden in de rijksinkomstenbelasting zijn de balansen van groot belang.”
Deze discussie heeft ertoe geleid dat de verplichting een balans op te maken en te ondertekenen de wijziging van het Wetboek van Koophandel in 1922 heeft overleefd.
Met het begrip jaar in artikel 6 lid 2 WvK werd gedoeld op het boekjaar, dat niet hoeft samen te vallen met het kalenderjaar.7
De bewaarplicht van artikel 7 WvK werd overgebracht naar artikel 6 lid 3 WvK. In het ontwerp van wet was een bewaartermijn van dertig jaar opgenomen. In het Voorlopig Verslag werd hierover opgemerkt dat vele leden van oordeel waren dat de termijn van dertig jaar veel te lang was en moest worden vervangen door een bewaarplicht van vijf jaar.8 De uitkomst van deze discussie was dat de termijn om de boeken, bescheiden en balansen te bewaren dertig jaar bleef. Voor de ontvangen brieven en – nieuw in 1922 – telegrammen en voor de afschriften van verstuurde brieven en telegrammen, werd de bewaartermijn verkort tot tien jaar. Bovendien was de koopman niet langer verplicht om een kopijboek bij te houden en te bewaren.