Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden
Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/V.3.3.2:V.3.3.2 Het overtredersbegrip in de bestuursrechtspraak
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/V.3.3.2
V.3.3.2 Het overtredersbegrip in de bestuursrechtspraak
Documentgegevens:
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460391:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
ABRvS 15 oktober 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BF8999, AB 2008/364, m.nt. Michiels (CZL Tilburg).
Voorbeelden hiervan komen aan bod in par. III.6.3.3.
Par. III.6.2 en par. III.6.3.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De door de wetgever beoogde aansluiting van bestuursrechtelijke overtrederschapsvormen bij het strafrecht is in de praktijk nog niet volledig gerealiseerd. Het meest in het oog springende verschil is de invulling die de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State lijkt te geven aan functioneel plegerschap. In de bestudeerde rechtspraak gebruikt de Afdeling voor de toerekening van een verboden gedraging aan de functionele pleger haar ‘eigen toets’ in plaats van de IJzerdraad-criteria. De toerekeningsformule van de Afdeling is afkomstig uit het CZL Tilburg-arrest,1 dat werd gewezen vóór de inwerkingtreding van de Vierde tranche. Dit is problematisch, zo betoog ik in het bestuursrechtelijke hoofdstuk, want deze invulling van het leerstuk van functioneel plegerschap gaat uit van een achterhaald overtredersbegrip. Daarnaast heb ik kritische kanttekeningen geplaatst bij de toerekeningsformule zelf: die biedt mijns inziens weinig houvast en is erg ruim. Daarom pleit ik ervoor dat de Afdeling alsnog de IJzerdraad-criteria omarmt. Dit is niet alleen in lijn met de wil van de wetgever, maar zorgt ook voor een beter gestructureerde en inzichtelijkere beoordeling van functioneel plegerschap in het bestuursrecht. Met de toepassing van de IJzerdraad-criteria kan ook worden voorkomen dat een leidinggevende verantwoordelijk wordt gehouden voor milieuovertredingen die buiten zijn wil en invloed om plaatsvinden.2
Verder valt op dat de Afdeling het strafrechtelijke leerstuk van feitelijk leidinggeven wel heeft omarmd, maar dat zij bepaalde vereisten van de Slavenburg-toets een andere invulling geeft dan haar strafrechtelijke collega’s zouden doen. In een aantal arresten lijkt de Afdeling bij de beantwoording van de vraag of de aangesproken leidinggevende ‘bevoegd en redelijkerwijs gehouden is om de verboden gedraging te voorkomen’ sterk de nadruk te leggen op de formele positie van de leidinggevende binnen de rechtspersoon. Dit terwijl de Slavenburg-toets juist draait om de feitelijke betrokkenheid van de leidinggevende ten opzichte van de verboden gedraging. Door deze formele invulling van de Slavenburg-toets ontspringen sommige feitelijk leidinggevers onterecht de dans en worden anderen juist onterecht (of om de verkeerde redenen) aangemerkt als feitelijk leidinggever. Daarom pleit ik in het bestuursrechtelijke hoofdstuk voor een betere aansluiting op de invulling die in het strafrecht wordt gegeven aan het leerstuk van feitelijk leidinggeven.
Op zichzelf vind ik het niet problematisch dat per rechtsgebied verschillende accenten worden gelegd in deze leerstukken. Zelfs zou kunnen worden betoogd dat – bijvoorbeeld vanwege de verschillen in doel, functie en toepassingsbereik van de rechtsgebieden – bepaalde aansprakelijkheidsvereisten in het bestuursrecht anders moeten worden ingevuld. Echter zou ik ervoor willen pleiten om onnodige verschillen te voorkomen. De noodzaak van divergentie op bepaalde punten heb ik in het kader van mijn onderzoek niet gezien. Daarom heeft wat mij betreft de strafrechtelijke invulling van de aansprakelijkheidsvereisten – conform de wil van de wetgever – te gelden als uitgangspunt, waarbij afwijking van die invulling vraagt om een (liefst: expliciete) rechtvaardiging. In het bestuursrechtelijke hoofdstuk laat ik me kritisch uit over de geconstateerde verschillen, omdat een rechtvaardiging ontbreekt en er veeleer sprake lijkt te zijn van een misverstand dat tot rechtsonzekerheid en rechtswillekeur leidt.3