Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/6.5.2
6.5.2 Het verhaalsrecht van het Nederlands Bureau op de onverzekerde aansprakelijke
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS394787:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie het Fournier-arrest, besproken in par. 4.5.4.2 onder c) en 6.2.2.
De Bosch Kemper & Gruben merken wel op dat het verhaal 'een smalle basis' heeft, zulks in tegenstelling tot het regresrecht van het Waarborgfonds Motorverkeer, dat zij als comfortabel kwalificeren. Zie De Bosch Kemper & Gruben, nr. 10.4, in het bijzonder p. 94, respectievelijk 93.
Zie De Bosch Kemper & Gruben, nr. 10.4 .
Anders dan in verschillende andere bij het groene-kaartstelsel aangesloten landen blijft de schadelast ter zake van schade die door onverzekerde Nederlandse voertuigen in andere lidstaten wordt veroorzaakt bij het Nederlands Bureau rusten en wordt zij - buiten de schade veroorzaakt door vrijgestelde gemoedsbezwaarden - niet verhaald op het Waarborgfonds Motorverkeer. In België bijvoorbeeld verhaalt het Bureau zijn 'onverzekerde' schaden krachtens een overeenkomst op het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds.
De vraag van het verhaalsrecht tussen de Bureaus is geen door de Richtlijn geregelde kwestie en hetzelfde geldt a fortiori voor het regresrecht van het garanderend Bureau op de onverzekerde aansprakelijke.1
De Nederlandse Wam regelt dit verhaal echter wel voor zover het Bureau als garanderend Bureau heeft moeten opkomen voor schaden, veroorzaakt door onverzekerde motorrijtuigen in de bij AMvB ex art. 3 lid 3 aangewezen landen en gebieden (de landen van de EER, alsmede Andorra, Kroatië en Zwitserland).2 De laatste volzin van art. 3 lid 3 Wam bepaalt:
"Indien het bureau, bedoeld in artikel 2 zesde lid, een zodanige schade heeft verrekend, heeft het voor het betaalde bedrag verhaal op degene op wie de verplichting tot verzekering rust, voor zover deze verplichting niet overeenkomstig het bepaalde in dit lid is nagekomen."
Het valt - in vergelijking met het Waarborgfonds Motorverkeer - op dat het Bureau zich alleen kan verhalen op degene die zijn verzekeringsplicht niet is nagekomen, en niet op de aansprakelijke (bijvoorbeeld de bestuurder) die niet zelf de verzekeringsplichtige is. Op grond van art. 15 jo. 1 Wam zou een dergelijk verhaalsrecht evenwel toch denkbaar kunnen zijn. In art. 1 wordt immers het Bureau voor de toepassing van de Wam gelijkgesteld aan een verzekeraar. In art. 15 wordt de verzekeraar die "ingevolge deze wet de schade van een benadeelde geheel of ten dele vergoedt, ofschoon de aansprakelijkheid voor die schade niet door een met hem gesloten verzekering was gedekt" een verhaalsrecht op de aansprakelijke persoon gegeven. Wel zal het Bureau zich het verweer van de tweede volzin van het eerste lid moeten laten welgevallen. De aansprakelijke die niet tevens de verzekeringnemer is, staat niet aan dit verhaal bloot tenzij hij niet te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid was gedekt. Deze formulering brengt mee dat het bewijs van de afwezigheid van de goede trouw op de verzekeraar rust, en dus op het Bureau als dat zich wil verhalen op de aansprakelijke niet verzekeringsplichtige.
Art. 3 lid 3, laatste volzin Wam spreekt over 'verhaal voor het betaalde bedrag' en niet over de betaalde schadevergoeding. Dat biedt mijns inziens ruimte om ook de door het Bureau aan zijn zusterorganisatie vergoede kosten en het schaderegelingshonorarium te kunnen verhalen. In dit opzicht is mijns inziens het verhaalsrecht ruimer dan dat van art. 15 Wam, dat immers de verzekeraar slechts een verhaalsrecht geeft voor het bedrag van de schadevergoeding.
Wel zal het Bureau bij betwisting de verschuldigdheid van de gevorderde bedragen en de juistheid van de omvang moeten onderbouwen. Ik zou ervoor willen pleiten dat de rechter hier marginaal toetst. Daarvoor pleit enerzijds de met het Waarborgfonds Motorverkeer vergelijkbare positie van het Bureau, anderzijds de gebondenheid van het Bureau aan de beslissingen van het 'regelend' Bureau, die op grond van vreemd recht tot stand komen. Daarbij komt nog het door De Bosch Kemper & Gruben gesignaleerde aspect, dat de niet verzekerde aansprakelijke - ook en wellicht juist als het ongeval zich in het buitenland afspeelt - veelal weinig tot niets van zich laat horen tot het moment waarop hij door het Bureau tot betaling van de schade wordt aangesproken.3 In dat geval wordt het voor het Bureau wel heel lastig om met de belangen van de aansprakelijke rekening te houden. Zie voor de marginale toetsing van beslissingen van het Waarborgfonds hierna, paragraaf 6.53.
Tot slot nog een opmerking met betrekking tot het verhaal van het Nederlands Bureau indien het heeft moeten uitkeren aan een 'regelend' Bureau in verband met een door een wegens gemoedsbezwaren van de verzekeringsplicht vrijgestelde aansprakelijke veroorzaakt ongeval. In dit geval oefent het NBM zijn regresrecht niet zelf uit op de gemoedsbezwaarde, maar op het Waarborgfonds Motorverkeer, zulks op grond van art. 25 lid 2 Wam. Deze route wordt daardoor gerechtvaardigd dat het Waarborgfonds van de vrijgestelde gemoedsbezwaarde een bedrag ontvangt ter dekking van de kosten van het Waarborgfonds in verband met de schadebehandeling.4