Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/6.3.3.2
6.3.3.2 Artikel 6:174, tweede lid BW
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS622165:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor toepassing van artikel 6:174 BW bij leidingschade Van Hoey Smith en Weterings 2010, p. 115 e.v.
Kamerstukken 11 1988/89, 21 202, nr. 3, p. 44-45.
Kamerstukken 112005/06, 29 834, nr. 12, p. 17.
Kamerstukken I 2006/07 , 29 834, C, p. 3.
Conform artikel 6:174, vijfde lid BW wordt degene die in de openbare registers als eigenaar van de opstal of grond staat ingeschreven, vermoed bezitter van de opstal te zijn.
Zie artikel 6:173 BW: bezitter roerende zaak, artikel 6:174 lid 1 BW: bezitter onroerende zaak, artikel 6:174, lid 2 BW: bezitter erfpachtrecht; resp. artikel 6:174, lid 2 BW: leidingbeheerder en beheerder openbare weg, artikel 6:176 BW: exploitant stortplaats, artikel 6:177 BW: exploitant boorgat.
Een beroep op artikel 6:174 derde lid BW zal overigens niet op kunnen gaan. Dit artikellid ziet op aansprakelijkheid van 'ondergrondse werken'. Volgens de parlementaire geschiedenis ziet het derde lid op 'een nauw met de mijnbouw samenhangende kwestie' en onder 'ondergrondse werken' worden verstaan 'boorgaten, tunnels, schachten of andere ondergrondse werken', zodat in zijn algemeenheid kabel- en leidingnetten niet onder het derde, maar 'enkel' onder het tweede lid van artikel 6:174 BW vallen. Zie ook: Kamerstukken II 1998/99, 26 219, nr. 3, p. 71 en 103.
De interpretatie van de feitelijke en functionele eenheid van een net betreffende de eigendom loopt niet synchroon met de uitleg van de uitzondering van artikel 6:174, tweede lid BW.1 Althans in dit artikel geldt dat de hoofdregel herleeft (te weten: bezitter opstal is aansprakelijk) indien de leiding 'een functionele eenheid vormt met een gebouw of werk'.2 In het aansprakelijkheidsrecht is sprake van een functionele eenheid tussen leiding en gebouw of werk zodra de leiding zich in het gebouw bevindt terwijl dit bij de eigendomsvraag uitdrukkelijk anders ligt. De bevoegde aanlegger is tot aan het aansluitpunt van de abonnee — ook als dit in een gebouw ligt — eigenaar van de leiding. Dient de introductie en uitleg van de nieuwe regeling het aansprakelijkheidsrecht op dit punt te wijzigingen of handhaaft men de situatie dat bij vaststelling van de eigendom resp. de aansprakelijkheid uitgegaan wordt van een andere invulling van de feitelijke en functionele eenheid van een net? Dit laatste lijkt het geval, gelet op het feit dat de wetgever bij de nieuwe eigendomsregeling expliciet uitspreekt dat er ten aanzien van artikel 6:174, tweede lid BW een enigszins ander stelsel wordt gevolgd: 3
`Om misverstand te vermijden dient er nog op te worden gewezen dat, voor wat betreft de aansprakelijkheid van de leidingbeheerder jegens derden in artikel 6:174 lid 2 BW een enigszins ander stelsel wordt gevolgd. (...) Dat stelsel is gekozen, omdat rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat een gebrek van de leiding terug te voeren is op wellicht onbekende gebreken van het gebouw of werk zelf dan wel op toedoen van de bewoners of gebruikers van dat gebouw of werk. Om die reden is de aansprakelijkheid hier losgekoppeld van de vraag wie beheerder of eigenaar van de leiding is;'
Rechtssystematisch is dit niet fraai. Op zich is begrijpelijk dat voor de eigendom andere regels kunnen gelden dan in het aansprakelijkheidsrecht, maar het is wel vreemd dat een gedeelte van het net in een opstal de ene keer wél en de andere keer niét een functionele eenheid vormt met het gebouw. Het in stand laten van de diverse manieren om tot vaststelling van de omvang van het net te komen, zal de eenheid (en duidelijkheid) in het goederenrecht niet ten goede komen. Zeker niet omdat er geen algemene (wettelijke) defmitie gegeven is van het begrip 'net' en dus, als ook in sectorwetgeving een specifieke wettelijke definitie ontbreekt, op grond van de verkeersopvatting moet worden uitgemaakt wat de omvang (van de eigendom) van het net is. Tevens moet een net in zijn totaliteit als één onroerende zaak worden beschouwd.4 In het aansprakelijkheidsrecht wordt op dit punt geen acht geslagen. De bezitter van de opstal, die als houder moet worden aangemerkt van het gedeelte van het net dat zijn opstal binnenkomt tot aan het aansluitpunt, is aansprakelijk voor een onzelfstandig (bestand)-deel van de zaak van een ander. Overigens is dit laatste niet het geval bij elektriciteitsen gasnetten. In artikel 1, sub i Elektriciteitswet is een definitie gegeven van een elektriciteitsnet en daaruit volgt dat niet tot het net wordt gerekend de verbindingen en hulpmiddelen die binnen de installatie van een producent of van een afnemer liggen. In artikel 1 sub d Gaswet is een gelijksoortige bepaling te vinden. Met andere woorden het gedeelte van een elektriciteits- of gasnet dat zich in de opstal van een ander bevindt wordt niet geacht onderdeel uit te maken van het net en daardoor zal de eigenaar van het net niet geacht worden eigenaar te zijn van dat gedeelte van het net. Dientengevolge zal dan de bezitter5 van de opstal (wel) als eigenaar worden beschouwd van het gedeelte dat in zijn opstal aanwezig is. In die situatie is het dan ook logisch dat de bezitter van de opstal volgens artikel 6:174 BW aansprakelijk is wanneer een gebrek in dit gedeelte van het net zich voordoet.
Het zou dogmatisch juister zijn geweest dat, nu sprake is van het inzicht dat netten één feitelijke en functionele eenheid vormen — óók met betrekking tot het gedeelte van het net dat in een opstal van een ander is gelegen — de aansprakelijkheid voor dat gedeelte ook bij de eigenaar/bezitter van het net komt te liggen, tenzij in de wet uitdrukkelijk de omvang van het net — en daarmee de eigendom — anders is geregeld zoals bij elektriciteits- en gasnetten. De regels voor aansprakelijkheid in boek 6 BW hebben in beginsel als hoofdregel dat op de bezitter respectievelijk de beheerder/ exploitant van de betreffende zaak een risicoaansprakelijkheid rust.6In de parlementaire geschiedenis van artikel 6:174 BW ging men er vanuit dat de leidingbeheerder ook het beheer van het gedeelte van de leiding dat zich in de opstal bevindt, zal kunnen uitvoeren. Uit de parlementaire geschiedenis van de nieuwe eigendomsregeling blijkt dat ook de eigendom van bedoeld gedeelte van het net (behoudens wettelijk uitzondering) niet toebehoort aan de bezitter van de opstal, maar aan de bevoegde aanlegger van de leiding. Het is dan logischer dat — wanneer zowel het beheer als de eigendom van bedoeld gedeelte van het net (in de opstal) niét bij de bezitter van de opstal berust — in ieder geval de leidingbeheerder dan wel eigenaar dus in beginsel voor dat gedeelte (in de opstal) aansprakelijk is. Deze regel zou echter niet opgaan wanneer blijkt dat de schade veroorzaakt wordt door een gebrek aan de opstal. De hoofdregel van artikel 6:174, lid 1 BW zal dan van toepassing zijn. In beginsel zou ik dan ook willen voorstellen dat de huidige aansprakelijkheidsregeling betreffende een leiding in een opstal van een ander, zou worden omgedraaid (derhalve: leiding-beheerder aansprakelijk tenzij schade veroorzaakt wordt door gebrek opstal; in plaats van huidige regeling: bezitter opstal aansprakelijk tenzij schade gevolg is van gebrek aan zorg door leidingbeheerder).
Uit het vorenstaande moge blijken dat de nieuwe eigendomsregeling niet direct betekenis voor genoemde aansprakelijkheid ten aanzien van leidingen7 heeft. De wetgever heeft expliciet aangegeven verschillende regimes te zullen accepteren, wat betekent dat bij bepaling van de omvang van het net het van de situatie afhangt (bepalen van omvang ten behoeve van de eigendomsvraag of ten behoeve van de aansprakelijkheid) hoe de omvang van een net wordt bepaald. Mijn voorstel zou zijn om artikel 6:174 BW op dit punt aan te passen.