Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/7.6.3.2
7.6.3.2 Hof van Justitie
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291667:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. HvJ EG 13 juli 1989, zaak 173/88, FED 1990/72, m.nt. Bijl, r.o. 12 (Morten Henriksen) en HvJ EG 12 februari 1998, zaak C-346/95, V-N 1998/28.24, r.o. 19 (Blasi).
HvJ EG 18 november 2004, zaak C-284/03, V-N 2005/21.22, r.o. 20 (Temco Europe).
HvJ EG 4 oktober 2001, zaak C-326/99, BNB 2002/396, m.nt. Bijl, r.o. 53 (Stichting Goed Wonen I).
Anders: M.E. van Hilten en H.W.M. van Kesteren, Omzetbelasting, Kluwer: Deventer 2020, p. 334 die de omstandigheid dat de huurder van blijvend geïnstalleerde werktuigen en machines gewoonlijk een aftrekgerechtigde belastingplichtige als de (enige) reden noemen voor het belasten van deze verhuur van onroerend goed met een industrieel of commercieel karakter.
Hof ’s Gravenhage 31 maart 2000, nr. 98/1633, V-N 2000/33.1.4.
B.G. van Zadelhoff, ‘Placebo erger dan de kwaal; reparatiewetgeving BTW en overdrachtsbelasting’, WFR 1995/841, Van Zadelhoff, noot bij HR 21 februari 2001, nr. 36.106, BNB 2001/197 en M.E. van Hilten en H.W.M. van Kesteren, Omzetbelasting, Kluwer: Deventer 2020, p. 335. Anders: Kamerstukken II 1994/95, 24 172, nr. 7, p. 8.
HR 21 februari 2001, nr. 36.106, BNB 2001/197, m.nt. Van Zadelhoff, r.o. 4.2. In gelijke zin: Van Zadelhoff, noot bij HR 21 februari 2001, nr. 36.106, BNB 2001/197 en A. van Dongen, 'Nieuwe ronde, nieuwe kansen. Verhuur van machines en bedrijfsinstallaties', BtwBrief 2001, nr. 5, p. 5. Of de huurder het werktuig of de machine al dan niet voor bedrijfsdoeleinden aanwendt, is derhalve niet relevant. De andersluidende uitspraak van Hof 's-Gravenhage van 21 mei 1987, nr. 1502/1986, BNB 1988/242, r.o. 6.2 is dan ook als achterhaald te beschouwen. Dat het (bedrijfsmatige) gebruik door de huurder niet relevant is voor de toepassing van art. 135 lid 2, onderdeel c Btw-richtlijn is een opvatting die niet door alle lidstaten wordt onderschreven. In Duitsland is de ‘Vermietung und die Verpachtung von Maschinen und sonstigen Vorrichtungen aller Art, die zu einer Betriebsanlage gehören (Betriebsvorrichtungen), auch wenn sie wesentliche Bestandteile eines Grundstücks sind’ van rechtswege belast (§ 4, nr. 12 UstG). Het begrip ‘Betriebsvorrichtungen’, dat hetzelfde wordt uitgelegd als het gelijkluidende begrip in het Bewertungsrecht (het Duitse recht inzake de waardering van onroerende zaken), ziet uitsluitend op machines, machinale installaties en alle installaties die rechtstreeks nodig zijn voor het verrichten van bedrijfsactiviteiten (Umsatzsteuer-Anwendungserlass van 1 oktober 2010, BStBl I S. 846, paragraaf 4.12.10, laatstelijk gewijzigd door het BMF-Schreiben van 19 december 2019 - III C 3 - S 7015/19/10002:001 (2019/1084286), BStBl I S XXX (https://www.bundesfinanzministerium.de/Content/DE/Downloads/BMF_Schreiben/Steuerarten/Umsatzsteuer/Umsatzsteuer-Anwendungserlass/2019-12-31-umsatzsteuer-anwendungserlass-konsolidiertefassung-31-12-2019.pdf?__blob=publicationFile&v=4, geraadpleegd op 30 december 2020).
HR 21 februari 2001, nr. 36.106, BNB 2001/197, m.nt. Van Zadelhoff, r.o. 4.2. In gelijke zin: Van Zadelhoff in zijn noot bij dit arrest.
Zoals in paragraaf 7.4 is besproken, is het begrip ‘verhuur’ een uniebegrip. In art. 135 lid 2, onderdeel c Btw-richtlijn wordt ook voor de betekenis van het begrip ‘blijvend geïnstalleerde werktuigen en machines’ niet verwezen naar het nationale recht. Ook dit begrip is derhalve een uniebegrip. Omdat art. 135 lid 2, onderdeel c Btw-richtlijn een uitzondering is op de vrijstelling van art. 135 lid 2, onderdeel l Btw-richtlijn, moet dit begrip ruim worden uitgelegd.1 Het Hof van Justitie heeft zich tot op heden niet uitgelaten over de reikwijdte van dit begrip waardoor de grenzen van dit begrip nog niet duidelijk zijn. Niettemin heeft het Hof wel geoordeeld dat de verhuur van blijvend geïnstalleerde werktuigen en machines te typeren is als de verhuur met een zakelijk-industrieel en commercieel karakter die gekenmerkt wordt door een actievere exploitatie van onroerend goed.2 De rechtvaardiging voor de uitzondering van art. 135 lid 2, onderdeel c Btw-richtlijn is volgens het Hof dus (uitsluitend) gelegen in de omstandigheid dat de verhuur van blijvend geïnstalleerde werktuigen en machines plaatsvindt door een ondernemer en niet door een belegger (zie paragraaf 7.5).3 De hoedanigheid van de huurder en de btw-behandeling van de verhuur van roerende werktuigen en machines (zie paragraaf 7.6.3.1) zijn dan ook sinds de inwerkingtreding van de Zesde Richtlijn te beschouwen als achterhaalde redenen voor het in de btw-heffing betrekken van de verhuur van blijvend geïnstalleerde werktuigen en machines, althans aan deze redenen kent het Hof geen doorslaggevende betekenis toe voor de uitzondering van art. 135 lid 2, onderdeel c Btw-richtlijn.4 Bij vastgoedtransacties die aan te merken zijn als de verhuur van blijvend geïnstalleerde werktuigen en machines kan gedacht worden aan de verhuur van een onroerende afvalwaterzuiveringsinstallatie en influentgemaal5 en de verhuur van onroerende vuilverbrandingsinstallaties en rookgasreinigers6.
Gelet op de bewoordingen van (thans) art. 135 lid 2, onderdeel c Btw-richtlijn, de door het Hof van Justitie gegeven reden voor het in de btw-heffing betrekken van de verhuur van blijvend geïnstalleerde werktuigen en machines (de hoedanigheid van de verhuurder) en de door het Hof van Justitie voorgeschreven ruime uitleg van art. 135 lid 2, onderdeel c Btw-richtlijn, heeft de Hoge Raad naar mijn mening terecht geoordeeld dat het een acte clair is dat de hoedanigheid van de huurder (lees: wel of geen huur als belastingplichtige) irrelevant is voor de toepassing van art. 135 lid 2, onderdeel c Btw-richtlijn.7 Daarnaast heeft de Hoge Raad het naar mijn mening terecht een acte clair geacht dat voor de toepassing van (thans) art. 135 lid 2, onderdeel c Btw-richtlijn niet relevant is of de werktuigen en machines van meet af aan (lees: vanaf de opbouw) onroerend zijn of dat de werktuigen en machines voor de blijvende installatie roerende goederen waren en door blijvende installatie onroerend zijn geworden.8 Voor een beperking van deze bepaling tot laatstgenoemde goederen bieden de bewoordingen van art. 135 lid 2, onderdeel c Btw-richtlijn geen enkele steun, terwijl deze beperking ook in strijd zou zijn met de ruime uitleg van deze bepaling.