Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/17.4.3.1
17.4.3.1 Bestaande opvattingen
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS494652:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Jansen en Luchtman, noot onder EHRM 3 mei 2001 (J.B. t. Zwitserland), AB 2002/343 (laatste alinea).
Haas 2009, p. 147. Zie nadien Haas en Jansen 2013, p. 8 e.v.
EHRM 5 april 2012 (Chambaz t. Zwitserland), AB 2012/323 (m.nt. Barkhuysen en Van Emmerik), pt. 7, met verwijzing naar de noot van Niessen onder het arrest in EHRC 2012/135.
Heinrich e.a. 2012, onderdeel 2.
Wattel 2012.
Zie ook de uitspraak van de civiele kamer van de HR van 12 juli 2013,BNB 2014/101 (m.nt. Van Eijsden); NJ 2013, 435 (m.nt. Zwemmer).
Stijnen, noot onder CRvB, 21 november 2012, AB 2013/27, pt. 2 e.v., met verwijzing naar zijn boek Rechtsbescherming tegen bestraffing in het strafrecht en het bestuursrecht, Deventer 2011, p. 616 e.v.
In ieder geval na J.B. wijzen verschillende schrijvers op de mogelijk om het EVRM-zwijgrecht in Nederlandse punitieve belastingzaken te waarborgen door middel van bewijsuitsluiting. Zie Jansen en Luchtman, die uit de arresten van het EHRM in de zaken Heaney en McGuinness en Quinn menen te kunnen afleiden dat het Hof niet overtuigd is van een schending van het nemo tenetur-beginsel, indien gelijk duidelijk is dat op basis van een inlichtingenplicht verkregen bewijsmateriaal, dat zijn bestaan dankt aan de wil van de betrokkene, in een punitieve procedure, niet tegen hem zal worden gebruikt. Beslissend is in zo’n geval of een dergelijke bewijsuitsluitingsgrond ‘effectively and sufficiently reduces the degree of compulsion imposed’ (Quinn, § 51). Volgens Jansen en Luchtman is dit laatste precies wat de HR met zijn arrest van 27 juni 2001, nr. 35 889, heeft bewerkstelligd. De raad heeft een bewijsuitsluitingsgrond gecreëerd, die op dit vlak aan duidelijkheid weinig te wensen overlaat.1
Zie ook Haas met betrekking tot ’s Hofs overweging in Shannon dat er ‘a very real likelyhood’ bestond dat de klager verplicht zou zijn informatie te geven met betrekking tot kwesties die vervolgens aan de orde zouden kunnen komen in de zaken waarin strafvervolging was ingesteld. Hij acht verdedigbaar dat een dergelijke ‘very real likelyhood’ zich in Nederlandse verhoudingen niet voordoet. Verklaringen die een belanghebbende in het kader van de belastingheffing verplicht is af te leggen, mogen immers niet worden gebruikt bij de beoordeling van een door de inspecteur opgelegde boete. Naar zijn mening is de beslissing in het arrest van 27 februari 2004, nr. 37 465, waarin de raad de bewijsuitsluitingsregel uit zijn arrest van 27 juni 2001 herhaalt, dan ook juist; ook in het licht van Shannon.2
Chambaz geeft extra impuls aan bewijsuitsluiting
Het arrest Chambaz is ook voor andere schrijvers aanleiding om de benadering van de belastingkamer van de HR te ondersteunen. Vgl. Barkhuysen en Van Emmerik. In hun noot onder het arrest zijn zij met Niessen van oordeel, dat het arrest allerminst klare wijn schenkt over de precieze reikwijdte van het zwijgrecht, vooral in geval van informatie verstrekt op grond van de medewerkingsplicht in een reguliere, niet-punitieve bestuursrechtelijke procedure, die later in een ‘criminal’ procedure gebruikt wordt. Veilig is in ieder geval een regeling zoals die inmiddels is ingevoerd in Zwitserland. Op grond daarvan mag de door een belastingplichtige in het kader van een reguliere belastingprocedure verstrekte informatie, niet worden gebruikt in een daaropvolgende ‘criminal’ procedure betreffende belastingontduiking. Informatie waarover de Zwitserse fiscus uit anderen hoofde beschikt, zou dan wel mogen worden gebruikt.3
Zie ook Heinrich e.a. die zonder af te willen doen aan het belang van het nemo tenetur-beginsel, menen dat het arrest Chambaz iets onbevredigends heeft. De situatie kan ontstaan dat een belastingplichtige profiteert van een tegen hem lopend strafrechtelijk onderzoek. Doordat tegen hem een verdenking bestaat van belastingontduiking, kan mogelijk ook in het kader van de reguliere belastingheffing het werkelijke belastbare vermogen en inkomen niet worden vastgesteld. Met omkering van de bewijslast kan aan dit bezwaar tegemoet worden gekomen. Een andere benadering kan volgens Heinrich e.a. zijn om de werking van het nemo tenetur-beginsel te beperken tot de (on)toelaatbaarheid van de onder dwang verkregen documenten als bewijs in de (bestuurs)strafrechtelijke procedure. Daarmee wordt naar hun oordeel tegemoetgekomen aan het uit art. 6 EVRM voortvloeiende uitgangspunt, dat niemand gedwongen kan worden zichzelf te beschuldigen, zonder dat daarmee concessies worden gedaan aan het belang van een juiste belastingheffing.4
Afgedwongen verklaringen niet-punitief bruikbaar
Ik wijs hier ook op Wattel. Hij meent dat na Chambaz twee benaderingen zich aandienen. De eerste is om de verdachte niet meer te dwingen, maar over te stappen op art. 6 EVRM-regie zodra de betrokkene er redelijkerwijs vanuit kan gaan dat hij (ook) verdacht is of een beboetingsvoornemen bestaat. De tweede benadering is om de verdachte wél te blijven dwingen voor heffingsdoeleinden, maar de onder dwang verkregen resultaten niet te gebruiken voor straf(achtige) doeleinden (= scheiding van procedures), tenzij de betrokkene daarmee zonder dwang instemt. Wil men niet dat een verdachte belastingplichtige niet aan zijn belastingaanslag hoeft mee te werken, terwijl een onverdachte belastingplichtige dat wél moet, dan lijkt volgens Wattel alleen de tweede weg begaanbaar.5 Duidelijk zal zijn dat de belastingkamer van de HR met haar arrest van 11 december 1991, nr. 27 345, voor deze tweede benaderingswijze kiest. De in de uitspraak van 27 juni 2001, nr. 35 889, geformuleerde bewijsuitsluitingsregel borduurt hierop voort.6
Zie ook Stijnen die meent dat zowel de lijn waarin vanaf het aanvangsmoment van de criminal charge het zwijgrecht weigeringsgrond voor medewerking is als de lijn waarin het gebruik van de door de ‘person charged’ onder dwang afgelegde verklaring wordt uitgesloten, verdragsconform zijn. Onder verwijzing naar de zaak Marttinen acht hij met het oog op de rechtszekerheid het wel wenselijk als de wetgever een uitdrukkelijke keuze voor het ene of het andere systeem zou maken. Uit oogpunt van handhaafbaarheid lijkt daarbij het tweede stelsel, dat van de ‘Chinese Walls’ tussen toezicht en boeteoplegging, de beste kaarten te hebben.7