Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/17.5.2
17.5.2 Aansprakelijkheid jegens de boedel
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS403540:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Rb. Rotterdam 15 maart 1999, JOR 1999/168 (Onnekink), Hof Arnhem 19 februari 2002, JOR 2002/56 (Reinders/Didam), r.o. 5.10 en Rb. Rotterdam 8 april 2009, JIN 2009, 446).
Zo overwoog het Hof Leeuwarden in een zaak waarin een doelwit van een leveraged buyout kort na de overname was gefailleerd: “[H]et vermogen van [de failliet] [is] op onaanvaardbare wijze uitgehold, hetgeen kan worden aangemerkt als een belangrijke oorzaak van het faillissement. Dat daarnaast andere factoren een rol hebben gespeeld, zoals het zich ontwikkelen van de markt voor volumeopdrachten naar een vechtersmarkt, het uitoefenen van een voorkeursrecht door de gemeente Roden, een productieoverschot in de branche, de opkomst van de lage lonen landen, een sterke terugval van overheidsopdrachten, minder behoefte aan kast- en opbergruimte alsgevolg van digitalisering en vertraging in de uitvoering van een door de stad Keulen aan Magista GmbH verstrekte opdracht, mag zo zijn, de uitholling van het vermogen van [failliet] is eveneens een belangrijke oorzaak van het faillissement.” (Hof Leeuwarden 31 juli 2012, JOR 2013/34 (Magista), r.o. 62).
Zie lid 4 van art. 2:248 BW.
In de Reinders/Didam-zaak werd de bestuurder bijvoorbeeld aansprakelijk gesteld voor een bedrag van hfl. 1.3 miljoen, vanwege diens medewerking aan een dividenduitkering van slechts hfl. 950.000. In de Onnekink-zaak overwoog de rechtbank Rotterdam dat ook indien het ongeoorloofde dividend na het intreden van het faillissement aan de vennootschap is terugbetaald, dit niet in de weg staat aan de aansprakelijkheid van bestuurders op grond van art. 2:248 BW (Rb. Rotterdam 15 maart 1999, JOR 1999/168, r.o. 7.2.2.1 (Onnekink)).
Art. 2:248 lid 6 BW.
De medewerking van het bestuur aan een uitkering kan tevens aanleiding geven tot aansprakelijkheid op grond van art. 2:248 BW. Daarvoor is ten eerste vereist dat het handelen van het bestuur ten tijde van de uitkering kwalificeert als kennelijk onredelijk bestuur. Al voor de introductie van de formele goedkeuringsbevoegdheid van het bestuur ter zake van uitkeringen, is in de jurisprudentie uitgemaakt dat de betrokkenheid van het bestuur bij een uitkering inderdaad als zodanig kan kwalificeren.1 Anders dan bij art. 2:216 lid 3 BW is voor aansprakelijkheid op grond van art. 2:248 BW tevens vereist dat de curator aannemelijk maakt dat de uitkering een belangrijke oorzaak was van het faillissement. Niet is vereist dat de uitkering de enige, of de belangrijkste oorzaak was van het faillissement.2 Als de curator het causaal verband aannemelijk weet te maken, wordt het bedrag van de aansprakelijkheid (behoudens matiging)3 gefixeerd op het tekort in faillissement; de omvang van deze aansprakelijkheid houdt geen verband met het bedrag van de ongeoorloofde uitkering.4 Een curator die meent causaal verband tussen de uitkering en het faillissement aannemelijk te kunnen maken, zal daarom de vordering op grond van art. 2:248 BW prefereren boven een vordering op grond van art. 2:216 lid 3 BW. Daar komt bij dat een eventueel aan de bestuurders verleende decharge niet aan aansprakelijkheid ex art. 2:248 BW in de weg staat.5