Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/17.5.1
17.5.1 Aansprakelijkheid jegens de vennootschap
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS408015:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In het ambtelijk voorontwerp van de wet Flex-BV voorzag art. 2:216 lid 3 BW (in navolging van het advies van de expertgroep De Kluiver) nog in een wettelijk vermoeden dat bestuurders ten tijde van uitkering wisten of behoorden te weten dat de uitkering niet aan de uitkeringstest voldeed, indien de vennootschap binnen een jaar na de uitkering was gefailleerd (Ambtelijk voorontwerp (derde tranche), p. 9). Terechte kritiek in de consultatieronde heeft het departement ertoe gebracht van dit vermoeden af te zien waardoor de huidige aansprakelijkheidsregeling in art. 2:216 lid 3 BW de vennootschap (en dus de curator) niet veel meer biedt dan wat op grond van art. 2:9 BW reeds mogelijk is. Boschma en Schutte-Veenstra 2012b, par. 3.5.1, wijzen erop dat de regeling in art. 2:216 BW in die zin iets toevoegt dat zij voorziet in een aansprakelijkheid van de feitelijk bestuurder of medebeleidsbepaler (zie lid 4); art. 2:9 BW voorziet daarin niet. Daarnaast kan de bestuurder zijn verplichting jegens de vennootschap ex art. 2:216 lid 3 BW niet verrekenen met een vordering op de vennootschap, terwijl hij dat wel kan als hij wordt aangesproken op grond van art. 2:9 BW.
HR 29 november 2002, NJ 2003, 455 (Schwandt/Berghuizer Papierfabriek). Zie Dorresteijn 2006, p. 591.
In de Nadere Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer bij de wet Flex-BV is uitdrukkelijk overwogen dat de omvang van de aansprakelijkheid ex. art. 2:216 lid 3 BW maximaal het bedrag of de waarde van de uitkering bedraagt, vermeerderd met de wettelijke rente (Kamerstukken I 2011/12, 31 058, nr. E, p. 15). Het is mijns inziens ongelukkig dat deze beperking niet in de wettekst tot uitdrukking is gebracht, te meer daar dit wél is gebeurd ten aanzien van de restitutieverplichting van aandeelhouders ex. art. 2:216 lid 3 BW.
Zie Brink-van der Meer, Huizink & Ledeboer 2011, p. 124 en mijn reactie daarop Barneveld 2011c.
Zie over de mogelijkheden van bestuurders om hun aansprakelijkheidsrisico af te wentelen op bij de uitkering betrokken adviseurs – zoals accountants – Barneveld 2013b, Lennarts 2012, Van der Zanden & Van der Zanden 2012, Barneveld 2012b en HR 2 juli 2010, NJ 2012, 194 (Reinders/ advocaat).
De medewerking van het bestuur aan een uitkering kan leiden tot aansprakelijkheid van de leden van dat orgaan. Sinds de flexibilisering van het BV-recht voorziet art. 2:216 BW in een bijzondere interne aansprakelijkheid als het bestuur goedkeuring verleent aan een uitkering in strijd met de uitkeringstest. Lid 3 van art. 2:216 BW bepaalt dat “indien de vennootschap na een uitkering niet kan voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden, […] de bestuurders die dat ten tijde van de uitkering wisten of redelijkerwijs behoorden te voorzien, jegens de vennootschap hoofdelijk verbonden [zijn] voor het tekort dat door de uitkering is ontstaan, met de wettelijke rente vanaf de dag van de uitkering”. De toelichting bij de wet Flex-BV geeft te kennen dat deze aansprakelijkheidsregeling beoogt aan te sluiten bij de bestaande systematiek en jurisprudentie met betrekking tot art. 2:9 BW, waarin de algemene interne aansprakelijkheidsregeling van bestuurders is neergelegd.1
De bijzondere aansprakelijkheidsregeling in het derde lid van art. 2:216 BW voegt vrij weinig toe aan de mogelijkheid die de vennootschap (of haar curator) heeft om op grond van art. 2:9 BW te procederen.2 Bestuurders die goedkeuring aan een uitkering verlenen in strijd met art. 2:216 BW handelen daardoor immers in strijd met een wettelijke bepaling die de rechtspersoon beoogt te beschermen. Daarmee is de onbehoorlijke taakvervulling in de zin van art. 2:9 BW – behoudens tegenbewijs – gegeven.3 De codificatie van de bijzondere aansprakelijkheidsregeling in art. 2:216 lid 3 BW heeft juist geleid tot een beperking van de aansprakelijkheid op grond art. 2:9 BW. De omvang van de aansprakelijkheid op grond van art. 2:216 lid 3 BW is immers beperkt tot het bedrag van de uitkering.4 Nu art. 2:216 lid 3 BW een lex specialis betreft van art. 2:9 BW, zou ik menen dat deze beperking ook geldt als de vennootschap op grond van laatstgenoemde bepaling vanwege een uitkering tegen een bestuurder ageert. Als de onbehoorlijke taakvervulling van een bestuurder meer omvat dan een ongeoorloofde uitkering, bijvoorbeeld omdat er tevens een onverantwoordelijke hoeveelheid schulden is aangegaan of niet adequaat is gereageerd op financiële problemen, kan de vennootschap vanzelfsprekend wél op grond van art. 2:9 BW tegen de bestuurder opkomen voor eventuele schade aan het vennootschapsvermogen die het bedrag van de uitkering overstijgt.
Bestuurders kunnen trachten hun interne aansprakelijkheidsrisico te verminderen door bij uitkeringen decharge te verlangen van de AV. Daarvan moeten echter geen wonderen worden verwacht, aangezien decharge niet in de weg staat aan de (hierna te bespreken) externe aansprakelijkheid van bestuurders.5 Bovendien is het goed mogelijk dat het dechargebesluit voor vernietiging in aanmerking komt. Een vrijwaring van een (kredietwaardige) aandeelhouder zal de bestuurder meer bescherming bieden. Tevens zal het inwinnen van een advies van een deskundige onder omstandigheden geraden zijn.6