Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/17.5.3
17.5.3 Aansprakelijkheid jegens derden
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS402400:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 8 november 1991, NJ 1992, 174 (Nimox/Van den End q.q.), r.o. 3.3.1.
Zie over de mogelijke samenloop van de onrechtmatige daadsvordering van de curator met die van een individuele crediteur, par. 19.5.6 inzake de aansprakelijkheid van aandeelhouders. De daar besproken problematiek speelt vanzelfsprekend ook bij de aansprakelijkheid van bestuurders.
De minister heeft overwogen: “De voorgestelde regeling staat er niet aan in de weg dat crediteuren rechtstreeks jegens de bestuurders een vordering op grond van onrechtmatige daad instellen. […] [E]en zeker mate van samenloop met dergelijke vorderingen [is] niet te vermijden, maar ook niet bezwaarlijk.” (Kamerstukken II 2008-09, 31 058, nr. 6, p. 51).
Rb. Rotterdam 15 februari 2012, JOR 2012/166 (Combi/Woortman), Rb. Almelo 2 februari 2011, RO 2011/36 (Dru BV), Rb. Arnhem 13 oktober 2010, LJN BO1632 (Vastgoed BV) en Rb. Amsterdam 21 april 2010, JOR 2011/1 (Kemp q.q./Idee BV).
De Hoge Raad lijkt echter een (voor de bestuurder) strenger wetenschapscriterium voor aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad te hanteren dan het criterium dat is neergelegd in het huidige at. 2:216 lid 3 BW. Zie over dit onderscheid nader par. 19.5.4.
Zie daarover Rijckenberg 2009.
De betrokkenheid van bestuurders bij uitkeringen kan ten slotte ook aanleiding geven tot aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad. De Hoge Raad heeft al in 1992 overwogen dat bestuurders bij de uitvoering van een door de AV genomen uitkeringsbesluit onrechtmatig kunnen handelen jegens de crediteuren, ondanks dat zij destijds nog geen formele zeggenschap hadden over de besluitvorming inzake uitkeringen.
De Hoge Raad overwoog in het Nimox-arrest: “Ook indien van de geldigheid van het besluit als zodanig moet worden uitgegaan bij gebreke van vernietiging bij rechterlijk vonnis op de voet van art. 2:11 BW, volgt hieruit niet dat uitvoering van het besluit tegenover derden zoals schuldeisers van de vennootschap niet onrechtmatig kan zijn […].”1 (Onderstr. JB)
De onrechtmatige daadsvordering kan zowel worden ingesteld door een individuele crediteur als door de curator.2 De invoering van de bijzondere aansprakelijkheidsregeling in art. 2:216 lid 3 BW heeft hier geen verandering in gebracht.3 De laatste jaren is in de lagere rechtspraak een aantal keer geprocedeerd tegen bestuurders vanwege hun betrokkenheid bij onrechtmatige uitkeringen.4 Daarbij valt op dat in die lagere rechtspraak een aansprakelijkheidscriterium wordt gehanteerd dat in hoge mate overeenkomt met dat in art. 2:216 lid 3 BW; bestuurders die op het moment van de uitkering weten of behoren te voorzien dat een uitkering zal leiden tot continuïteitsproblemen, handelen onrechtmatig door daaraan hun medewerking te verlenen.5 Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat bestuurders onrechtmatig handelen door een formeel geldige uitkering betaalbaar te stellen, omdat sprake is van een onrechtmatige selectieve betaling.6
De vordering op grond van art. 6:162 BW biedt de curator in faillissement een belangrijk voordeel boven een aansprakelijkstelling op grond van art. 2:216 lid 3 BW: op grond van onrechtmatige daad kunnen bestuurders ook worden aangesproken voor dat deel van de door de gezamenlijke crediteuren geleden schade dat het bedrag van de uitkering te boven gaat. De vordering op grond van onrechtmatige daad heeft daarnaast als voordeel dat een eventuele decharge van de betrokken bestuurders niet aan aansprakelijkheid in de weg staat.