Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/9.3.1:9.3.1 Functionele equivalenten
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/9.3.1
9.3.1 Functionele equivalenten
Documentgegevens:
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS410226:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De onderzochte rechtsfiguren vertonen een zekere mate van gelijkenis. Aan de procedures waarin een beroep wordt gedaan op de verschillende leerstukken, liggen vaak vergelijkbare casusposities ten grondslag. Een aandeelhouder die een vennootschap bij oprichting financiert met weinig eigen vermogen en veel vreemd vermogen, en gedurende het bestaan van de vennootschap eigen vermogen aan de vennootschap onttrekt, loopt het risico om in faillissement te worden aangesproken op grond van de wettelijke of common law dividendregels, fraudulent transfer law, preference lawof het leerstuk van veil piercing, en staat ten slotte aan het risico bloot dat zijn vorderingen op de vennootschap worden achtergesteld op basis van het leerstuk van equitable subordination of recharacterization. In veel zaken die hebben geleid tot een uitspraak in de sleutel van een bepaald leerstuk, had ook kunnen worden geprocedeerd op grond van een ander leerstuk.
De vooraanstaande jurist Clark heeft daarom reeds in 1977 gewezen op het feit dat de hiervoor behandelde leerstukken functionele equivalenten zijn.1 Zijns inziens dienen de leerstukken te worden beschouwd als concrete uitwerkingen van een aantal ‘morele pricipes’ die van toepassing zijn op het handelen van debiteuren jegens hun crediteuren.
Zo overwoog Clark: “Restraints on corporate distributions […] are a straightforward expression of fraudulent conveyance principles. In particular, the doctrines of equitable subordination and piercing the corporate veil may be seen as applications of the same notions of securing the moral obligations of debtors to creditors which are at work in fraudulent conveyance law.”2
Fraudulent conveyance law in ruime zin beoogt volgens Clark te voorkomen dat een debiteur door zijn handelen het verhaal van crediteuren verhindert. De vraag rijst waarom er in het Amerikaanse recht verschillende leerstukken worden gehanteerd om hetzelfde principe te bewaken. Hoe verhouden de leerstukken zich tot elkaar?