De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen
Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/4.4.4:4.4.4 Synthese
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/4.4.4
4.4.4 Synthese
Documentgegevens:
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS384576:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Fox 2009, p. 162.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met de koppeling van de Efficient Market Hypothesis aan de agency theory deed het idee van de efficiënt werkende kapitaalmarkt haar intrede in het normatief (rechtseconomisch) denken over ondernemingsrecht. Op deze plaats is het goed om op te merken dat de aldus gemetselde muur uit onderling verschillende bakstenen bestond. De Efficient Market Hypothesis was een voorlopig aanvaarde hypothese – op basis van tot 1970 verricht empirisch onderzoek – over de vermeende werking van kapitaalmarkten. Voor Fama en andere proponenten was duidelijk dat de theorie op een modelmatige weergave van de werkelijkheid berustte, waarbij bovendien in de econometrische weergave ten opzichte van de werkelijkheid bepaalde bochten waren afgesneden (in het bijzonder wat betreft de random walk-benadering) omdat de anders benodigde statistische methoden te ingewikkeld waren om mee te werken. Vanuit het perspectief van de ‘nieuwe’ methodologie voor de economische wetenschap van Friedman was het verschijnsel van onrealistische aannames in economische theorievorming geen probleem. Wanneer echter een voorlopig aanvaarde hypothese uit een bepaald gedeelte van economische theorievorming op zijn beurt weer wordt gebruikt als aanname of uitgangspunt in theorievorming op een ander gebied, kan een besmettingsgevaar ontstaan indien de aanvaardbaarheid van de oorspronkelijke hypothese komt te vervallen.
Los van deze context werd vervolgens alleen de hoofdregel van de EMH (markten zijn efficiënt en beurskoersen geven alle beschikbare informatie weer) geëxporteerd naar de agency theory. De agency theory kwam in feite neer op een verbijzondering van de Coase Theorem, welke op zijn beurt in zekere zin een uitwerking was van Bentham’s utilitarisme. Daarmee was een reis afgelegd van de kwantitatieve economie (EMH) naar een vorm van economische filosofie. Anders gezegd: de normatieve lading van de EMH (momentopname in empirisch onderzoek naar een voorlopig aanvaarde hypothese) enerzijds en de agency theory (theoretische voorstelling en modelmatige abstractie van onderlinge relaties) anderzijds is wezenlijk verschillend. Zoals Fox het later verwoordde: “The concept of the efficient market had taken a big step. It is one thing to encounter a hypothesis within the science where it was developed – in its natural habitat, as it were. There, one can find caveats and doubts and people who knew it when. When such a theory is transferred intact to another discipline, a lot of that baggage is inevitably lost. The rational market idea had first made its way from theoretical economics in the empirical subdiscipline of finance, where it had lost in nuance and gained in intensity. Now it was voyaging into even more distant territory.”1
Terugkijkend kan worden vastgesteld dat waar Coase in algemene zin de verbinding tussen recht en economie had gelegd, dit wat het ondernemingsrecht betreft is gedaan door de jurist Manne enerzijds en de economen Jensen en Meckling anderzijds. Manne gebruikte het economische concept van de efficiënt werkende markt als normatief argument in zijn pleidooi tegen de wijze waarop bepaalde mededingingsrechtelijke wet- en regelgeving door rechters werd toegepast. Hij presenteerde het concept van de efficiënt werkende kapitaalmarkt echter impliciet als een feitelijke observatie (de markt is efficiënt), terwijl het in feite gelet op de aannames en caveats in het oorspronkelijke werk van Fama en anderen een normatief concept betrof (de markt zou onder bepaalde omstandigheden efficiënt moeten werken). De invalshoek van Jensen en Meckling was een andere. Zij stelden een normatief economisch kader voor over het rationeel te verwachten gedrag van bestuurders en aandeelhouders. Om tot dit normatieve kader te komen brachten Jensen en Meckling evenwel enkele substantiële generalisaties aan in de juridische context. In de kern bezien maakten zij de juridische context tot onderdeel van hun economisch normatief kader door impliciet te veronderstellen dat het juridisch kader zich via ‘contracting’ geheel zou voegen naar hun normatief-economische wetmatigheden. In zoverre was er zowel bij Manne als ook bij Jensen en Meckling ongemerkt sprake van een vermenging van normatieve ideeën uit recht en economie.