Einde inhoudsopgave
De goede procesorde (BPP nr. IV) 2006/9.5.4.2
9.5.4.2 Verschil in werkingssfeer
Mr. V.C.A. Lindijer, datum 08-11-2006
- Datum
08-11-2006
- Auteur
Mr. V.C.A. Lindijer
- JCDI
JCDI:ADS381054:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De aard het rechtsgebied zal immers via de aard van de uitgeoefende bevoegdheid en de aard van context, meer in het bijzonder de rechtsverhouding, waarbinnen die bevoegdheid wordt uitgeoefend, medebepalend zijn voor het antwoord op de vraag of in een concreet geval misbruik van bevoegdheid is gemaakt. Art. 3:13 BW en de daarin enumeratief genoemde criteria laten daartoe met noties als 'naar redelijkheid' en 'het doel' van de betreffende bevoegdheid voldoende ruimte.
Zie supra, nr. 545 en 551.
HR 14 januari 1983, NJ 1983, 267 (WHH).
HR 5 november 1993, NJ 1994, 154 (PAS).
553. Het leerstuk misbruik van bevoegdheid heeft, ook in de vorm waarin het in art. 3:13 BW is gecodificeerd, een zo algemene strekking dat de betekenis en toepassing daarvan de grenzen van de afzonderlijke rechtsgebieden overstijgen en het verbod van misbruik van bevoegdheid zelfs als inherent aan de uitoefening van elke aan het recht ontleende bevoegdheid kan worden beschouwd. Het leerstuk doet zich dan ook evenzeer binnen, als buiten de grenzen van het procesrecht gelden, waarmee overigens niet is gezegd dat het rechtsgebied waarbinnen de misbruikfiguur wordt gehanteerd, niet van invloed is op de concrete 'invulling', en dus de toepassing, van het misbruikcriterium.1
De betekenis van de goede procesorde als normatief begrip is daarentegen beperkt tot het procesrecht. Een beroep op de eisen van de goede procesorde behelst een verwijzing naar normen van - hoofdzakelijk ongeschreven - procesrecht die gelden in de verhouding tussen partijen en de rechter. De eisen van een goede procesorde lenen zich dan ook niet direct voor de normering van de uitoefening van procesrechtelijke bevoegdheden die buiten een procedure ten overstaan van de rechter, en dus buiten de betrokkenheid van de rechter om, worden uitgeoefend. Men denke in dit verband aan bevoegdheden op het terrein van het beslag- en executierecht een terrein dat onder de vlag van het procesrecht valt - in zoverre het niet gaat om de uitoefening van bevoegdheden waarbij juist in verband met die beslag- en executiemaatregelen een beroep op de rechter wordt gedaan, zoals het geval is bij een verzoek om verlof tot het leggen van een conservatoir beslag of bij het aanhangig maken van een executiegeschil.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat aan de eisen van een goede procesorde in de rechtspraak niet of nauwelijks betekenis wordt toegekend ter normering van de wijze waarop bijvoorbeeld een vonnis wordt geëxecuteerd of een beslag wordt gelegd. De uitoefening van dergelijke bevoegdheden wordt daarentegen wel, zo bleek hiervoor, juist bij uitstek getoetst aan het misbruikcriterium.2
Overigens is niet geheel uitgesloten dat de eisen van een goede procesorde ook een normerende rol kunnen spelen ten aanzien van de uitoefening van bevoegdheden buiten een procedure ten overstaan van de rechter om. Wordt bijvoorbeeld door de (wijze van) executie van een uitspraak de bescherming gefrustreerd die de geëxecuteerde had kunnen ontlenen aan de eisen van een goede procesorde, indien zij (op de juiste wijze) als partij was betrokken in de procedure waarin de uitspraak werd gedaan, dan kan daarin een grond zijn gelegen voor het oordeel dat die executie in strijd met de eisen van een goede procesorde komt en derhalve ontoelaatbaar is of onrechtmatig was.
Illustratief in dit verband is de wijze waarop de Hoge Raad in het arrest SchuringlSweelinck3 antwoordt op de in het cassatiemiddel besloten liggende vraag, in hoeverre de ontruiming van derden door middel van een uitspraak die door de koper tegen de verkoper van een pand is verkregen, in strijd komt met algemene beginselen, zoals die van een goede procesorde. De Hoge Raad overwoog dat een zodanige wijze van procederen in beginsel niet ontoelaatbaar is, maar dat dit echter anders kan zijn indien sprake is van misbruik van procesrecht. Daarvan zou volgens de Hoge Raad onder meer sprake zijn indien deze weg slechts gevolgd zou zijn ten einde de betreffende derden niet in het geding te hoeven betrekken, terwijl er geen in redelijkheid te respecteren belang bestond om niet jegens henzelf ontruiming te vorderen. Voorts kan worden gewezen op het arrest De Wit/Van den Berg4, waaruit blijkt de eisen van een goede procesorde onder uitzonderlijke omstandigheden ook een rol kunnen spelen indien de partij tegen wie de uitspraak ten uitvoer wordt gelegd wel partij bij die uitspraak was. Is een onherroepelijke uitspraak niet in laatste ressort gewezen, en staat daartegen daarom noch hoger beroep, noch cassatieberoep, noch het rechtsmiddel van herziening open, dan kan bij de vraag of de executant zijn bevoegdheid om de uitspraak ten uitvoer te leggen misbruikt, van belang zijn of die uitspraak klaarblijkelijk onjuist is ten gevolge van door de executant in de procedure gepleegd bedrog, aldus de Hoge Raad. In dat verband kan ook betekenis toekomen aan de eisen van een goede procesorde, nu die eisen mede de omvang van de mededelings- en medewerkingsplichten van partijen in een procedure bepalen. In het arrest De Wit/Van den Berg diende de Hoge Raad daarom de vraag te beantwoorden of de beginselen van een goede procesorde Van den Berg ertoe verplichtten om in de procedure die tot het geëxecuteerde vonnis leidde, van bepaalde feiten melding te maken.